Mei Li Vos wil op de Indiëherdenking de boodschap van haar opa doorgeven

foto Serge Ligtenberg
In de toekomst zou Nederland één oorlogsherdenking moeten hebben, niet één in mei en één in augustus. Dat vindt Mei Li Vos, voorzitter van de Eerste Kamer en dit weekeinde boegbeeld van de Nationale Herdenking 15 augustus.
Mei Li Vos, voorzitter van de Eerste Kamer, belde haar moeder toen ze afgelopen juni hoorde dat de Japanse keizer naar Nederland zou komen. Ze zat ermee. Haar opa was in Indonesië nog net niet dodelijk door de Japanners gemarteld, maar veel scheelde het niet. Hem kon ze het niet meer vragen, haar moeder wel. “Wat zou opa ervan hebben gevonden dat ik hem een hand moet geven?”
Rebecca Ong, Vos’ moeder, zei: “Ik denk dat hij het prachtig gevonden zou hebben”. Ong wist zeker dat haar vader de kleinzoon van Hirohito de misdaden van zijn grootvader niet zou nadragen. Een grootmoediger mens kende ze niet.
“We moeten elkaar eraan blijven herinneren dat we elkaar dit nooit meer aan moeten doen, oorlogen.”
voorzitter Mei Li Vos van de Eerste Kamer
De Japanse keizer Hirohito bezette tussen 1942 en 1945 het toenmalige Nederlands-Indië. In zijn naam werden gruweldaden gedaan, gingen duizenden mensen dood en nog meer mensen bijna dood. Zaterdag precies 81 jaar geleden kwam daaraan een einde. Sinds 1988 is er op de dag van de Japanse overgave een nationale herdenking.
Elkaars leed erkennen
Mei Li Vos is Indisch, haar moeder kwam ervandaan. Deze 15 augustus wil Vos de via haar moeder gekregen boodschap van haar grootvader doorgeven. Het gaat om vergeving en om erkenning van elkaars leed. “We moeten elkaar eraan blijven herinneren dat we elkaar dit nooit meer aan moeten doen, oorlogen.”
Jappenkampen, Burma-spoorlijn, krijgsgevangen, dood, marteling, honger, het werd allemaal tot ver in de jaren tachtig eigenlijk niet besproken.
voorzitter Mei Li Vos van de Eerste Kamer
Wat Vos betreft fuseren de mei- en augustus-herdenkingen uiteindelijk tot één. Wat haar betreft ook biedt de Japanse keizer grootmoedig excuses aan. Van Hirohito’s kleinzoon kwamen ze niet, maar misschien komt de volgende generatie ermee. Dat zou helend zijn.
Want de wonden zijn er nog altijd. Het verhaal van de familie van Mei Li Vos is bijna precies zoals het verhaal van de meeste mensen op de herdenking. Ze vertellen hoe er een groot, zwart zwijgen over de oorlogsjaren hing. “De oorlog zat bij ons aan tafel maar zei niks”, zeggen mensen deze zaterdagmiddag in Den Haag een bekende uitspraak van Geert Mak na. Jappenkampen, Burma-spoorlijn, krijgsgevangen, dood, marteling, honger, het werd allemaal tot ver in de jaren tachtig eigenlijk niet besproken.
Ze leerde haar moeder erover te praten
Maar, zo staat in het programmaboekje van de Indiëherdenking in Den Haag, bij Mei Li Vos ‘kroop het bloed waar het niet gaan kon’. In haar volwassen leven ging ze zich alsnog verdiepen in de Indische geschiedenis van haar moeder en leerde ook haar moeder erover te praten. Dat begon toen ze in de jaren negentig haar dochter opzocht in Jakarta, die daar werkte aan haar proefschrift over de diplomatieke banden tussen Nederland en Indonesië.
Wat Mei Li Vos betreft biedt ook de Japanse keizer grootmoedig excuses aan.
Nu is Vos het gezicht van de 81ste herdenking en de dagen daaromheen. Op vrijdag legde ze met Tweede Kamervoorzitter Thom van Campen een krans bij de Indische Plaquette in het Tweede Kamer-gebouw. Op zondag spreekt ze op de ‘dekoloniale herdenking’ in Amsterdam, bij het monument dat gebouwd werd om generaal Van Heutsz te eren, maar dat inmiddels ‘monument Indië-Nederland’ heet.
Zeker de helft van de aanwezigen blijkt ook voor het eerst naar een herdenking te komen. Vijftigers, veertigers, twintigers. De organisatie probeert ook nieuwe generaties bij de herdenking te betrekken, naast de tweede generatie, zoals Vos, ook de derde en de vierde generatie Indonesiërs. Een aparte jongerenclub organiseert activiteiten voor twintigers en dertigers wier ouders al in Nederland werden geboren, maar die zich ook nog Indisch voelen. In totaal hebben zo’n twee miljoen Nederlanders banden met voormalig Nederlands-Indië.
Zoals Max Pickkers, een dertigjarige docent uit Amsterdam. Twee jaar geleden was hij voor het eerst op de nationale herdenking op 15 augustus. “Mijn generatie heeft heel veel vragen over Indonesië. Onze ouders en grootouders vertellen er vaak niks over, of bijna niks. In Amsterdam had ik altijd de indruk dat de Marokkaanse jongens precies wisten wat het was om Marokkaans te zijn en de Surinaamse kinderen ook. Maar ik wist niet wat het was om Indonesisch te zijn. Mijn opa en oma zijn overleden, mijn moeder zegt op mijn vragen meestal: ‘Ik weet het niet’.”
Verhalen van zijn oma en opa heeft hij amper, maar nu probeert Pickkers via anderen te ontdekken wat het is om Indische roots te hebben. Zaterdag hoorde hij het verhaal van een overlevende uit een Jappenkamp die vertelde hoe hij een keer vlees kreeg, maar geen hout om het op te bakken. Het bedierf alsnog. “Daar was ik wel van onder de indruk.”
