Mauritshuis hoeft topstukken niet terug te geven aan nazaten Bredius, oordeelt de rechter

Mautitshuis te Den Haag Zairon, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons

Museumbeleid De Haagse rechtbank oordeelt dat het Mauritshuis zelf mag bepalen welke werken uit de verzameling-Bredius het wel en niet exposeert.

Het Mauritshuis in Den Haag hoeft geen werken terug te geven aan de erven van de kunstverzamelaar en -historicus Abraham Bredius. De rechtbank Den Haag heeft al hun vorderingen afgewezen in een zaak tegen de staat en het Mauritshuis over het tentoonstellingsbeleid van dat museum.

De erven eisten dat het Mauritshuis alle 25 werken uit Bredius’ legaat permanent tentoonstelt en niet deels in depot houdt. Het testament van Bredius (1855-1946) zou het zonneklaar maken dat het museum daartoe verplicht is.

De eisers zijn drie nakomelingen van Joseph Kronig (1887-1984), protegé en huisgenoot van de ongehuwde Bredius. Zij vinden dat het museum afspraken schendt en de werken, waaronder vijf Rembrandts, moet teruggeven.

De rechtbank ging daar woensdag niet in mee. De Kronigs baseren zich op één zinnetje uit diens testament (de schilderijen „devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée”), in het Frans omdat hij toen in Monaco woonde. Dat is volgens de rechters echter „niet klip-en-klaar”, maar voor verschillende uitleg vatbaar. Je kunt erin lezen dat de werken „blijvend geëxposeerd moeten worden”, de uitleg van de familie Kronig, maar ook dat ze, áls ze tentoongesteld worden, dat dan in het Mauritshuis moest.

Abraham Bredius 1889-1909 by Hendrik Haverman, Public domain, via Wikimedia Commons

Dat Bredius bang was voor beschadigingen als zijn schilderijen zouden worden uitgeleend aan andere musea, staat vast. Maar wisselen tussen werken ‘op zaal’ en ‘in depot’ was ook in zijn tijd staande praktijk.

Bredius was van 1889 tot 1909 zelf directeur van het Mauritshuis en ook toen was de collectie „niet statisch, maar een levende verzameling”, aldus de rechtbank. Het vonnis citeert een verslag uit 1895 over zo’n wissel. Het motief was dat „hunne plaatsen door betere stukken konden worden ingenomen”. Als Bredius een „absolute tentoonstellingsplicht” had willen afdwingen, zou hij dat ondubbelzinnig hebben gezegd „en het niet bij dat ene zinnetje [hebben] gelaten”, aldus het vonnis.

error: