Het fascisme zat diep geworteld in kunstenaar Pyke Koch. Of was het allemaal maar een spel?

Voor kunstenaar Pyke Koch (1901-1999) was het fascisme geen bevlieging. Ook na de Tweede Wereldoorlog kleurde dit gedachtegoed zijn werk, blijkt uit zijn ietwat onevenwichtige, maar prikkelende biografie.
Bewijsmateriaal was er voldoende, genoeg voor een paar jaar detentie. Justitie vond een NSB-lidmaatschapskaart, en abonnementen op fascistische blaadjes. De verdachte schreef daar bovendien zelf artikelen in. Pyke Koch (1901-1991) was er gloeiend bij. Toch kwam de kunstenaar er genadig vanaf: zijn zaak werd geseponeerd.
Hoe dat precies zat, heeft Susana Puente niet weten te achterhalen. De Amerikaanse kunsthistorica oppert in De God van Nederland. Leven en werk van Pyke Koch voorzichtig dat mogelijk iemand uit de kennissenkring van de schilder de beambte beïnvloedde die zijn zaak onder zich had.
Elders in de biografie is Puente minder terughoudend bij het innemen van standpunten. Al in de eerste zinnen van haar boek roept ze Koch uit tot een van de twee grootste Nederlandse kunstschilders van de vorige eeuw. Piet Mondriaan, die mocht er ook zijn, de andere hoofdrolspeler was Koch. Dat Mondriaan wereldwijde faam geniet en Koch zelfs in eigen land soms wordt vergeten, heeft er alles mee te maken dat Mondriaan aan de goede kant van de geschiedenis stond en Koch de verkeerde afslag had genomen.
Fascistische kunst
Bij aanvang van haar onderzoek meende Puente, net als veel andere kunsthistorici, dat Kochs politieke ideeën losstonden van zijn schilderijen. Op een enkel werk na classificeerden experts zijn schilderijen niet als fascistische kunst. De meeste Koch-kenners veronderstelden dat zijn val voor het fascisme slechts een kortdurende fase betrof.
Gaandeweg kwam Puente tot andere inzichten. Ze gaat een groot aantal van zijn werken langs, en laat overtuigend zien hoe zijn politieke overtuigingen doorklonken in zijn magisch-realistische kunstuitingen.
Wat Puente ook inzichtelijk maakt, is hoe diep de fascistische ideologie in Koch verankerd zat. Het was beslist geen bevlieging. Zo stuitte ze in zijn archief op een brief uit 1922 aan zijn ouders, waarin hij schreef te walgen van de hopen ‘geverfde ploertige vuile Jodenwijven en Jodenmannen’ die hij op reis in Duitsland was tegengekomen.