Arbeidsmigranten krijgen nu betere woningen, maar die liggen vaak wel erg afgelegen

Ter illustratie: flexwonen in Lansingerland © Lansingerland

Arbeidsmigranten krijgen nu betere woningen, maar die liggen vaak wel erg afgelegen

Distributiecentra, boerderijen, supermarkten: arbeidsmigranten houden veel daarvan draaiende. Hun woningen staan alleen steeds vaker uit het zicht, bijvoorbeeld op industrieterreinen.

Een half miljoen tot een miljoen arbeidsmigranten telt Nederland, niemand die het precies weet. Ze zijn onmisbaar voor de economie, maar vaak niet gewenst in woonwijken. Daar betalen ze hoge bedragen voor een slaapplek, en leven ze regelmatig met veel te veel mensen in een woning. Beroerde omstandigheden voor henzelf, hoge winsten voor huisjesmelkers, en ook geregeld overlast voor de buurt.

Dat de huisvesting voor arbeidsmigranten fors moet verbeteren, is dan ook al jaren bekend. Het werd onder meer aangekaart door de commissie onder leiding van Emiel Roemer, die in 2020 oordeelde dat arbeidsmigranten als tweederangsburgers worden behandeld. Zeker de afgelopen jaren zijn er daarom meer projecten opgezet om ze beter te huisvesten. Bijvoorbeeld in flexwoningen, tijdelijke woningen van vaak goede kwaliteit – en daarmee in principe een verbetering ten opzichte van de verkamerde appartementen of eengezinswoningen.

Maar zijn die projecten een goede oplossing? Onderzoek van vakblad Cobouw en televisieprogramma Argos laat zien dat er ook serieuze nadelen aan kleven. Vooral omdat ze vaak op locaties staan die helemaal niet bedoeld zijn om te wonen.

Wonen op een industrieterrein

Ze analyseerden bijna tweehonderd bouwprojecten voor arbeidsmigranten die sinds 2002 zijn neergezet of die in de planning staan voor de komende jaren. Arbeidsmigranten blijken dan vooral te gaan wonen op industrieterreinen, op landbouwgrond of op vakantieparken – het aantal arbeidsmigranten dat zo woont op industrieterreinen is bijvoorbeeld vervijfvoudigd, tot 9000. Slechts 6 procent van alle projecten is neergezet of wordt neergezet in woongebieden.

Dat is niet bevorderlijk voor de integratie van arbeidsmigranten. Het is ver weg van de meeste voorzieningen en ze kunnen nauwelijks deelnemen aan de samenleving. En dat terwijl bekend is uit onderzoek dat een groot deel van de arbeidsmigranten uiteindelijk in Nederland zal blijven.

Cobouw en Argos keken daarnaast of gemeenten ook rekening houden met de komst van arbeidsmigranten. Ze vroegen gemeenten die een substantieel distributiecentrum binnenhaalden (of tot 2028 nog krijgen), of er voorwaarden in de vergunning staan over huisvesting van personeel. De helft van de werknemers in dit soort centra bestaat in de praktijk uit arbeidsmigranten. Het antwoord van de vijftien gemeenten die reageerden was ‘nee’.

Nieuwe problemen

Voor bouwers van flexwoningen is dat een ongewenste situatie. Die hebben de capaciteit om complexen voor arbeidsmigranten in veel hoger tempo neer te zetten, maar hebben veel moeite projecten snel van de grond te krijgen. Voor de arbeidsmigranten zelf zijn dergelijke complexen beter dan matrassen in gedeelde slaapkamers in een rijtjeshuis. Maar ze krijgen als ze op afgelegen locaties staan wel nieuwe problemen.

Zo mogen op dergelijke plekken alleen tijdelijke woonvergunningen worden afgegeven: ze hebben immers geen woonbestemming. Door administratieve trucs – bijvoorbeeld even intern verhuizen – worden die echter omzeild en blijven de arbeidsmigranten er soms jaren wonen. Zekerheid van een permanent woonadres hebben ze dan nog steeds niet.

Er komt wel een wetsvoorstel aan om dergelijke kortdurende woonvergunningen te verbieden ten gunste van vaste huurcontracten – op een voorstel over zogeheten short stay kunnen betrokkenen vermoedelijk deze zomer reageren. Alleen mogen dergelijke huurcontracten dan weer niet worden afgegeven op de nu veel gebruikte locaties, alleen op locaties met een woonbestemming. Dat creëert ook nieuwe onzekerheid; misschien moeten sommige bestaande flexcomplexen dan zelfs sluiten. En snel alternatieve complexen in woonwijken bouwen stuit vaak op bezwaren van omwonenden.

Aardbeienteler Jan van Genderen wil zijn ‘internationale arbeidskrachten’ niet langer in een stacaravan laten wonen

Zo kan het dus ook: goede woningen voor arbeidsmigranten tegen betaalbare huren. Aardbeienteler Jan van Genderen bouwt ze zelf en wil daarmee zijn waardering uitdrukken voor zijn werknemers. ‘Het is geen liefdadigheid, maar goed ondernemerschap. Wie goed doet, goed ontmoet’.

Het begon met een ‘innerlijk conflict’ en eindigde met een droom die uitkwam. Aardbeienkweker Jan van Genderen in Bemmel, iets ten zuiden van Arnhem, laat trots de tweehonderd woningen zien voor zijn ‘internationale arbeidskrachten’. Van de term ‘arbeidsmigrant’ wil hij niets weten. “Dat roep alleen maar negatieve associaties op, zoals overlast en onwenselijkheid. Ik vind het aanstootgevend hoe politici over deze mensen spreken.”

Voor Van Genderen zijn het “hardwerkende mensen die hier met de beste intenties naar toekomen. We kunnen in Nederland simpelweg niet zonder hen.” Ook zijn bedrijf niet. Aardbeien plukken blijft mensenwerk, vertelt de ondernemer. “Ja, er bestaan wel plukmachines, maar die werken traag, beschadigen de aardbeien en laten er te veel hangen.”

Op zijn bedrijf Royal Berry, dat 75 hectare groot is, werken vijfhonderd personen, waarvan de meesten uit Roemenië komen. Op zijn zeventiende begon Van Genderen uit liefhebberij het bedrijf dat na de verhuizing uit de Bommelerwaard in 2010 uitgroeide tot de grootste aardbeienkwekerij van Nederland. “Wat er zo speciaal is aan aardbeien? De kleur, geur en smaak. Van een aardbei wordt iedereen blij”, zegt hij glunderend.

Ongemak

Voor een deel wordt nog gebouwd aan de huizen voor zijn internationale werknemers. Het idee ervoor ontstond toen hij “een beetje met zichzelf in conflict kwam”, vertelt Van Genderen. Hij woont zelf in een mooi huis, bouwde een al even fraai kantoor, terwijl “we onze medewerkers die vaak 2500 kilometer van huis zijn en acht maanden hier komen werken in een woonunit stoppen, vaak een caravan, waar we zelf niet in zouden willen wonen.”

Dat ongemak zorgde ervoor dat de ondernemer een ‘droom’ wilde realiseren: het verbeteren van het welzijn van zijn personeel door het aanbieden van woningen met luxe, comfort en privacy. “Zodat ze zich hier meer thuis en gewaardeerd voelen, zonder dat de buurt overlast ervaart.”

Tussen de kassen verrees het complex. Al duurde het zeven jaar om het te realiseren en de gemeente mee te krijgen. “De eerste reactie was dat het niet kon. Het lukte pas toen ik ze kon overtuigen dat er alleen maar voordelen aan zitten.” Bij mogelijke overlast is hij meteen aanspreekbaar. Naast de woningen komt er ook een gemeenschapshuis met fitnessruimte om mensen ook ontspanning te bieden.

Tevreden personeel

Het klinkt allemaal te mooi om waar te zijn. Van Genderen beseft dat, maar ziet zichzelf niet als een weldoener die aan liefdadigheid doet. Al is de huur met 100 euro per week relatief laag. “Het is een vorm van gezond ondernemerschap waarbij geld verdienen een gevolg is van de juiste dingen goed doen. Onder het motto: wie goed doet, goed ontmoet.”

De aardbeienteler hoopt dat zijn personeel niet alleen tevreden is, maar ook langer bij het bedrijf blijft werken, waardoor de arbeidskosten beheersbaar blijven en de efficiëntie toeneemt. “Als ik steeds nieuwe mensen moet zoeken en opleiden omdat personeel ontevreden vertrekt, ben ik verder van huis.” Het bedrijf maakt geen gebruik van uitzendbureaus, maar werft zelf personeel in Roemenië.

Utopisch hoog

Voormalig SP-leider Emile Roemer kwam zes jaar geleden in opdracht van de regering met een aantal aanbevelingen om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren. Betere huisvesting was daarbij één van de speerpunten. 

error: