100-jarige: ‘Wat ik nog kan, doe ik zelf. Onze Marokkaanse buren zijn ook behulpzaam’

Tjitske Bennink-de Beer is 100 jaar. Ze is nog samen met haar twee jaar oudere man Jan. Zij ziet de zonzijde, hij meer de schaduwkant.
Tjitske Bennink-de Beer leeft nog zelfstandig met haar 102-jarige man Jan. Zij doet de was, strijkt en kookt. Hij rijdt dagelijks op zijn scootmobiel naar de supermarkt voor de boodschappen, maakt het ontbijt en schenkt ’s middags een borrel in. Jan is aanwezig bij een deel van het interview en geeft dan ook graag antwoord op vragen aan zijn vrouw. Hij vindt dat hun leven een beetje saai was, maar daar kijkt de 100-jarige Tjitske toch heel anders tegenaan.
Hoe bouwden jullie na de oorlog een leven op, in een tijd van schaarste en woningnood?
Zij: ‘Er was niks. De winkels waren leeg.’
Hij: ‘De bovenburen van mijn ouders boden ons hun zolder aan. Toen konden we trouwen, in 1949. Een jaar later werd onze zoon geboren. Na vijf jaar moesten we weg, omdat die man tbc had. We kregen voorrang voor een nieuwbouwwoning. Sinds 1966 wonen we in dit huurhuis in Amsterdam-Osdorp.’
Hoe heeft u uw buurt in die zestig jaar zien veranderen?
Zij: ‘Er was een slootje achter ons huis waar onze drie kinderen leuk konden spelen. Van lieverlee liet de gemeente hem breder maken. Nu varen er grote boten voorbij.’
Hij: ‘In die beginjaren riep de conducteur bij het eindpunt van de tramlijn: ‘De Sahara!’. Het was hier één grote zandvlakte, waar een grote nieuwe wijk werd gebouwd. Aan de overkant van het slootje achter ons huis waren kassen, met de boeren maakten we vaak een praatje. Die zijn allemaal weg, dat gebied is ook volgebouwd.’
Zij: ‘Maar we kijken gelukkig uit op grote bomen achter de vaart.’
Hij: ‘In de buurt is minder contact dan vroeger. Wij zijn de laatsten van de eerste lichting die hier kwam wonen. Het eerste wat nieuwe bewoners deden, was een schutting om hun tuin plaatsen. Een praatje maken met de buren vanuit de tuin, zat er niet meer in. Er zijn hier veel buitenlanders komen wonen.’
Zij: ‘We hebben heel aardige buren.’
Hij: ‘Naast ons woont een vrouw uit Armenië. Ze heeft mij pas overeind geholpen toen ik was gevallen op zolder.’
Zij: ‘Ik had haar gebeld.’
Hij: ‘Ze heeft aangeboden de was te strijken en op te vouwen, maar dat wil jij zelf blijven doen.’
Zij: ‘Wat ik nog kan, doe ik zelf. Onze Marokkaanse buren aan de andere kant zijn ook behulpzaam.’
Hij: ‘Ja, en verderop woont een vrouw uit Curaçao, die hielp mij toen ik mijn hand had bezeerd. Onze huishoudelijke hulp komt uit Marokko. We hebben haar al 12 jaar en ik zou haar niet willen missen, ze is uitstékend.’
Is er iets waar u moeite mee heeft, anno 2026?
Zij: ‘Nee, eigenlijk niet.’
U bent al 77 jaar getrouwd. Heb je elkaar dan nog iets te vertellen?
Hij: ‘Nee, eigenlijk niets meer.’
Zij: ‘Jawel, als we over onze herinneringen praten.’
Hij: ‘Als ons iets van vroeger te binnen schiet, ja.’ (Na een stilte:) ‘Ons leven was een beetje saai.’
Zij: ‘Dat vind ik niet. We hadden geen grote wensen, zo van: ik wil dit of dat. We zijn niet arm, we zijn niet rijk. We wonen hier mooi, heel vrij, met veel groen, dat maakt veel goed. We hebben altijd genoten van onze kinderen. Toen we een auto konden kopen, gingen we uitstapjes maken.’
Hij: ‘Ja, dat is waar. Tot mijn 95ste heb ik auto gereden. We kochten ook een caravan en maakten ANWB-reizen naar Ierland, Frankrijk, Corsica, Spanje en Portugal. We hebben het best naar onze zin gehad. Jij hebt heel goed voor onze kinderen gezorgd – en voor mij.’
Zij, lachend: ‘Ik lette al op of je die laatste woorden ook zou zeggen!’