Van Museum Voorlinden tot Fenix en Hartwig: het privémuseum of ‘miljonairsmuseum’ is in opkomst. Wat verklaart het succes?

Zicht vanaf het water op Fenix met Tornado – artist impression © MAD Architects

Particuliere musea Museum Voorlinden in Wassenaar bestaat deze week tien jaar, maar het succesvolle museum is allerminst het enige museum dat door particuliere vermogenden is gebouwd. Komende maanden komen er vier nieuwe privémusea bij. Verandert dat iets aan het museumlandschap? „Je kan het beter een terugkeer noemen.”

„Kijk, daar staat Ron Mueck.” Suzanne Swarts, directeur van Museum Voorlinden, wijst op een onopvallende man in een blauw overhemd in de lange museumhal. Hij komt niet eens tot de knie van zijn enorme hyperrealistische sculptuur Boy (1999), een jongen op zijn hurken, die schuchter de hal in kijkt. Bezoekers staan eromheen, maar de Australische kunstenaar let niet op hen; hij is geconcentreerd aan Boy aan het werk.

Aros Aarhus Art Museum 1016” by Henk Bekker is licensed under CC BY-NC-SA 2.0

Typisch voor tien jaar Museum Voorlinden is deze situatie, vindt Swarts. Dit enorme kunstwerk van publiekslieveling Mueck is nooit eerder buiten het Deense museum Aros geweest, maar komt voor de jubileumexpositie Celebrating the Icons of Art wel naar Voorlinden in Wassenaar. Volgens haar is dat een bewijs van het „warme en vriendelijke netwerk” dat haar museum in tien jaar in heel Europa kon opbouwen. En de aanwezigheid van de kunstenaar zelf? Ach, hij wilde nog wat retoucheren voor het vanaf 12 september getoond wordt – en ja, dat kon natuurlijk direct, in een museum dat geheel zelfstandig is en waar de lijntjes kort zijn.

Even klinkt het alsof het particuliere Museum Voorlinden, waarvan het gebouw, het landgoed en de kunstcollectie geschonken zijn door Joop van Caldenborgh, oprichter van het Rotterdamse chemieconcern Caldic, al een heel officieel bestanddeel van het Nederlandse museumlandschap is geworden. Maar eigenlijk is dat gevoel er pas sinds kort, zegt Swarts. 

Cijfers geeft Swarts niet, uit principe, maar haar gevoel wordt volgens haar bevestigd door de bezoekersaantallen, met name door de herhaling waarmee mensen een kaartje kopen: bezoekers keren steeds weer terug. Daarnaast merkt ze het „aan de zichtbaarheid”, zoals het socialemediasucces van het kunstwerk Swimming Pool (2016) van Leandro Erlich, dat „een hit op dating apps” is geworden – en daarmee „de beste ‘mond-tot-mondreclame’ voor de doelgroep twintigers en dertigers die andere musea maar moeizaam bereiken”.

Precies op het moment dat Voorlinden opende in 2016, was er wereldwijd een hausse van 24 nieuwe particuliere musea gericht op hedendaagse kunst, zegt Olav Velthuis, hoogleraar kunstsociologie aan de UvA, die een onderzoek naar particuliere musea aan het afronden is. Nadat deze opkomst rond 2020 even was gestokt en een aantal initiatieven ook failliet ging, lijkt er nu, tien jaar ná Voorlinden, juist in Nederland een extra toename te zijn.

Komende maanden komen er vier nieuwe particuliere musea voor hedendaagse kunst en één nieuwe dependance in Nederland bij: Showdepot, Drift, ZaMu, Hartwig en een derde vestiging van More (zie inzet). Voor Nederland is dat een opvallende toename in korte tijd. De initiatieven zijn allemaal anders, benadrukt socioloog Velthuis, maar ze hebben wel één overeenkomst: ze zijn in tegenstelling tot het in Nederland gangbare gesubsidieerde museum ontstaan uit particulier initiatief, vrijwel zonder uitzondering van zeer vermogende kunstliefhebbers met grote eigen kunstcollecties. Daardoor worden ze soms ook wel ‘miljonairsmusea’ genoemd.

Monsieur Jacques bij het Kröller-Möller Museum by Ziko van Dijk, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons

Nieuw is dit type musea in Nederland niet. Je zou het eerder „een hernieuwd fenomeen” kunnen noemen, zegt Velthuis. Meerdere grote publieke musea van nu zijn tussen midden 19de eeuw en de Tweede Wereldoorlog als particulier initiatief ontstaan, zoals Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, het Kröller-Möller Museum in Otterlo, het Van Abbe Museum in Eindhoven. Maar na 1945 veranderde het Nederlandse museumlandschap; cultuur, zeker de wereld van de hedendaagse kunst, werd een zaak van de overheid, musea werden betaald met subsidie van het rijk of de gemeente. Het fenomeen ‘miljonairsmusea’ leek – op een aantal uitzonderingen na – in die tijd iets voor landen als de Verenigde Staten, waar cultuur meer op particulier initiatief steunde.

De vraag is daarom vooral: waar komt die „hernieuwing” van particuliere musea voor hedendaagse kunst in de 21ste eeuw vandaan – en wat is het gevolg ervan voor de Nederlandse cultuurwereld?

Speciaal voor het gesprek heeft Pijbes een formule bedacht die het succes van het nieuwe museum zou kunnen verklaren, „eentje die rijmt: vrijheid, blijheid, snelheid”. Deze kenmerken verklaren volgens hem het succes van Fenix, Voorlinden en andere particuliere initiatieven: „Vrijheid kunnen de particuliere musea zich permitteren, en dat geeft meer blijheid en snelheid.” Maar hoe vrolijk deze formule ook klinkt, Pijbes bedoelt dit ook kritisch.

Want juist het „plezier om naar het museum te gaan” is volgens hem in veel publieke musea verloren gegaan. In plaats van plezier is een kramp in de plaats gekomen. Musea willen het zo graag „goed doen, ze willen geen fouten maken”, maar daardoor is „een heel pakket aan codes en regels” ontstaan. 

In Voorlinden klinkt het vergelijkbaar uit de mond van Suzanne Swarts: „Ik hoor weleens hoeveel water andere musea bij de wijn moeten doen om de overheden tevreden te stellen”, zegt Swarts. Zij kan in de museumzalen daarentegen gewoon laten zien waar ze zelf als samensteller echt „verliefd” op is geworden. En ze heeft „de vrijheid om naar mijn eigen moraal te kunnen beslissen”.

Theo van Doesburg 236 in Kröller-Möller Museum , Public domain, via Wikimedia Commons

Deze ‘vrije’ en ‘snelle’ aanpak kan alleen aanslaan omdat er een aantal pijlers onder zitten, zegt ze. Cruciaal is de architectuur van het museum, ontstaan nadat verzamelaar Van Caldenborgh en zijzelf vele boeken hadden gelezen, Amerikaanse voorbeelden hadden bezocht, en ontdekten dat het gebouw „niet groter dan een voetbalveld mocht zijn” om het bezoek behapbaar te houden. De architectuur en het idyllische landgoed in Wassenaar moesten in elkaar grijpen, buiten en binnen, het moest een totaalervaring worden, waarin de bezoeker tot rust kan komen. Geen tekstbordjes naast de kunst, de „visuele kracht” staat voorop, zodat de bezoeker energie krijgt, „zoals kunst bedoeld is”.

error: