100-Jarige Thea: ‘Ik repareerde nylons, met een machientje haalde ik de ladders weg. Toen waren mensen nog zuinig’

1948–DuPont-news-about-nylon” by x-ray delta one is licensed under CC BY-NC-SA 2.0

100 jaar

Thea Kerst-Steenbruggen is 100 jaar. Hoe kijkt de geboren Duitse aan tegen de eeuw die achter haar ligt? ‘Als kind was ik heel klein en mager. Ik at weinig, van warm eten hield ik niet.’

Het is een snikhete dag eind juni als de 100-jarige Thea Kerst-Steenbruggen de moed vat om terug te blikken op haar lange leven. Over een paar dagen kan ze er weer een jaar bij optellen. ‘Dat had mijn moeder moeten weten, die had niet kunnen geloven dat ik zo oud zou worden, want als kind wilde ik nooit eten’, zegt de eeuweling. Ze woont nog zelfstandig, in het rijtjeshuis dat ze ruim zestig jaar geleden als jonge weduwe betrok met haar drie kinderen.

Hoe waren de dagen met tropische temperaturen voor u?

‘Erg moeilijk. Ik zat de hele dag op de bank met een ventilator naast me, met alle ramen en gordijnen gesloten. Elke dag ga ik wandelen, maar met de hitte ben ik een week de deur niet uit geweest. ’s Nachts probeerde ik hier in de huiskamer te slapen, want boven was het helemaal niet uit te houden. Gelukkig kwam mijn jongste dochter vaak langs, en verwende mij met watermeloen.’

U vertelde net dat uw moeder niet had kunnen geloven dat u zo oud zou worden.

‘Omdat ik als kind heel klein en mager was. Ik at weinig, van warm eten hield ik niet. Mijn moeder zat met een houten pollepel naast me aan tafel en zei: ‘Eten jij!’ Ze sloeg mij niet, maar de lepel hing wel dreigend in de lucht. Uit angst nam ik een hap, maar ik spuugde het snel weer uit in de kolenkit. Een boterham at ik wel bij het ontbijt en de lunch, en gebakjes lustte ik ook. Ik ben pas goed gaan eten toen ik op mijn 21ste zwanger werd. Ineens had ik trek, en die is gebleven.’

Bent u streng opgevoed?

‘Ik heb een heel fijne jeugd gehad. We woonden in een flat in een buitenwijk van Dortmund, in het Roergebied. Ik was heel gehoorzaam. Mijn moeder was erg lief, maar ook streng. Ze was stapeldol op mij en mijn 1,5 jaar jongere broertje Willie. Ze deed alles voor ons.

‘Mijn vader werkte bij de mijnen, bovengronds. Tijdens de economische crisis in de jaren dertig werd hij werkloos. Toen werd mijn moeder kostwinner, als naaister.’

Kreeg u als meisje de kans om door te leren?

‘Ik kon goed leren. Al jong bleek dat ik goed was in toneelspelen. Op de bewaarschool kreeg ik de hoofdrol van kerstkind, in het kerstspel. Ik was een jaar of 6, 7. De tekst ken ik nog uit mijn hoofd. Er lagen allemaal kinderen in bedjes, naast elk bedje stond een beschermengel met grote vleugels. Ik kwam het toneel op en zei: ‘Ich ziehe mich zurück, Schutzengelein, bleibt allen. Behüte mich auf ferne, die Liebe Kinderlein.

‘Ik zei vaak gedichtjes op. Van mijn tante Hildegard kreeg ik daar 1 D-Mark voor. Ook zong ik graag. Op de middelbare school kreeg ik het advies mij aan te melden voor de theaterschool. Voor het toelatingsexamen declameerde ik het gedicht Erlkönig van Goethe. Toen de toelatingsbrief werd bezorgd, scheurde mijn moeder hem voor mijn ogen doormidden. Ze zei: ‘Jij gaat niet naar het theater, want Eine Theaterkarriere geht durch das Bett des Intendanten.’ Ik was woedend en heb drie dagen niet met mijn moeder gepraat.’

Hoe kijkt u nu terug op haar verbod uw theaterdroom waar te maken?

‘Ik denk dat ze gelijk had. Mijn moeder wist dat veel artistiek leiders met studentes naar bed gingen. Ze wilde mij beschermen. Er gebeuren op theateropleidingen nog steeds dingen die niet deugen. Dat was vroeger net zo erg.’

Wat heeft u gemerkt van de opkomst van Adolf Hitler en zijn ideologie?

‘Mijn moeder was fel tegen Hitler en het nationaalsocialisme. Als er op straat parades waren en iedereen de Hitlergroet bracht, duwde ze mijn arm meteen naar beneden. Ik was de enige in de klas die niet bij de Hitlerjugend zat, dat wilde mijn moeder niet. Mijn juf, Frau Lehmacher, kwam bij ons thuis om mijn ouders te smeken dat ze mij er ook naartoe lieten gaan. ‘Alstublieft, alle kinderen gaan, Thea als enige niet. Dat gaat mij in de problemen brengen’, zei ze. ‘Ga dan maar’, zei mijn moeder. Ik vond er niks aan. We kregen er allemaal nare dingen te horen over Joden, waar ik het helemaal niet mee eens was.

Tijdens de oorlog moest mijn broer als 17-jarige naar het Oostfront. Hij heeft nooit verteld wat hij daar heeft meegemaakt, alleen dat hij op vliegtuigen moest schieten. Zodra de Russen kwamen, wist hij te ontkomen aan krijgsgevangenschap door via de Oostzee naar de Noordzee te zwemmen, lopend kwam hij naar huis. Mijn vader zat in de oorlog in Parijs, waar hij op een kazerne werkte. Na afloop van de oorlog is hij krijgsgevangen gemaakt door de Amerikanen en werd na een periode in een kamp in Sleeswijk-Holstein, met een boot naar Amerika gebracht, een mijnenveger ging voorop. Hij werd zeven maanden tewerkgesteld bij een pindaboer en een perzikenboer in Michigan. Maandenlang wisten we niet waar hij was, dat was vreselijk, totdat we een kaart van hem kregen uit Amerika.’

Hoe bent u in Nederland terechtgekomen?

‘Mijn broertje raakte, voordat hij naar het front moest, bevriend met een Nederlandse jongen die verplicht in Dortmund werkte. Wim kwam bij ons thuis, en ik merkte dat hij op slag verliefd op mij was. Ik vond hem aardig, maar de verliefdheid was niet wederzijds. Mijn moeder zei: ‘Ga maar met hem, want er zijn hier bijna geen jongens meer over.’ De meesten waren gesneuveld aan het front. Omdat mijn moeder het graag wilde, trouwde ik in mei 1946 met hem, in Duitsland. Binnen een jaar werd ons eerste kind geboren. Onze dochter was acht maanden, toen ik met Wim in het huis van zijn ouders in Nijmegen ben gaan wonen. Korte tijd later kregen we een bovenwoning.’

‘Wim werkte als sous-chef bij de Bata, waar hij de verkoop en reparatie van schoenen deed. Hij wilde graag een eigen zaak en leerde door voor orthopedisch schoenmaker. Hij wilde dat ik mijn middenstandsdiploma ging halen, zodat we een eigen zaak konden beginnen – dat lukte. Ik stond vaak in de winkel, met een witte schort om, terwijl mijn man achterin aan het werk was. Ook repareerde ik nylons – met een machientje haalde ik de ladders weg. Toen waren de mensen nog zuinig.’

Hoe ging het met uw verstandshuwelijk?

‘In het begin voelde ik geen liefde, die groeide met de jaren. Wim was trouw. In 1962, vijf jaar nadat we onze eigen zaak waren begonnen, gingen we voor het eerst op vakantie met onze drie dochters, kamperen in Bakkum, hartstikke leuk. Wim ging tennissen, ineens ging hij naast een boom staan en zakte in elkaar. Een hartstilstand. Dat was een ramp.

‘Ik was 36 jaar, onze oudste 15, de middelste 13 en de jongste 4 jaar oud. Ik heb de winkel nog een jaar gehouden, daarna heb ik alles verkocht en heb ik dit huis gekocht. Ik ben gaan werken bij een exportbedrijf, als secretaresse van de directeur. ’s Avonds gaf ik schrijfmachineles en steno, een frater van het klooster hier vlakbij paste op. Na negen jaar leerde ik mijn tweede man Herman kennen. Hij was anders, zorgzamer. Ik stopte met werken en ging tennissen, op pianoles, nog vaker zingen en met veel plezier koren dirigeren.’

error: