Wie 100 miljard wil uitgeven, moet dat aan de kiezer uitleggen

OPINIE
De discussie over een Nationale Investeringsbank van 100 miljard euro wordt momenteel vooral economisch gevoerd. De democratische schaduwzijde blijft daarbij onderbelicht: grote publieke investeringen horen thuis binnen het parlementaire budgetrecht.
Daar gaan we weer, dachten we toen we onlangs de burgemeester van Eindhoven, Jeroen Dijsselbloem, op televisie een nieuw investeringsvehikel hoorden aankondigen. Het is een geliefde sport onder technocraten: financier grote maatschappelijke opgaven buiten de reguliere begroting om. De Europese Commissie grossiert erin. Voor vrijwel iedere nieuwe crisis of beleidsprioriteit wordt een nieuw fonds of financieringsinstrument opgetuigd, zoveel mogelijk op afstand van de reguliere democratische besluitvorming.
Ditmaal gaat het om een Nationale Investeringsbank met een beoogde capaciteit van 100 miljard euro. Onder de vlag van nationale veiligheid, strategische autonomie en economische weerbaarheid moet deze instelling investeren in defensie, energie, technologie en industrie.
Over de auteur(s)
Dennis Vink is hoogleraar finance and investment aan Nyenrode Business Universiteit. Ewald Engelen is hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam.
Over nut en noodzaak valt te twisten. Maar dan moet je er wel over kúnnen twisten. En precies daar gaat het met dit soort fondsen mis. Uitgaven die thuishoren in het hart van het democratische debat worden ondergebracht in een afzonderlijk vehikel met een eigen bestuur en een eigen mandaat, terwijl de investeringen mogelijk worden gemaakt met door de overheid ondersteunde schuldfinanciering en de risico’s uiteindelijk bij de belastingbetaler belanden. En dit noemen we nu juist socialization of risk: de samenleving draagt een belangrijk deel van het neerwaartse risico, terwijl private partijen kunnen profiteren van de opwaartse potentie.
Op afstand van de overheid
De initiatiefnemers, onder wie ASML-baas Peter Wennink, VVD-mastodont Neelie Kroes, VNO-macher Cees Oudshoorn en oud-bankier Jeroen Kremers, benadrukken dat de bank op afstand van de overheid moet opereren en buiten de reguliere begrotingssystematiek moet vallen. Dat is geen technisch detail, maar een bewuste verschuiving van besluitvorming weg van de reguliere begrotingscyclus. Oftewel: minder parlement, meer technocratie.
De redenering achter deze constructie is voorspelbaar: de politiek is te kortademig en besluitvorming kost te veel tijd. Maar als er geen politieke meerderheden voor iets zijn, is de samenleving er misschien ook nog niet uit. En wellicht hebben de dwarsliggers goede redenen voor hun obstructie en bewijzen ze daarmee de belastingbetaler een grote dienst. Terwijl groepsdenken onder experts weliswaar snelle besluitvorming mogelijk maakt, gaat die snelheid vaak ten koste van kritisch tegenspel en democratische correctie.
Politieke keuze
Voorstanders wijzen erop dat private partijen deze nationale investeringen onvoldoende oppakken. Dat kan zo zijn. Maar juist dan gaat het niet primair om een investeringsvraagstuk, maar om een politieke keuze. Als de overheid vindt dat defensie, energiezekerheid of strategische industrieën extra steun verdienen, dan moet zij daar openlijk verantwoordelijkheid voor nemen. Niet via een schaduwbank, maar via de begroting.
Maatschappelijke doelen horen te worden gefinancierd met maatschappelijk gecontroleerde middelen. De cruciale vraag is immers niet hoeveel geld beschikbaar komt, maar wie beslist waar dat geld naartoe gaat, onder welke voorwaarden en ten koste van welke alternatieven. Dat zijn politieke keuzes die thuishoren in het parlement.
Nederland heeft er een handje van niet te willen leren. Vandaar ons ‘Groundhog Day’-gevoel. In 2020 werd het Nationaal Groeifonds gelanceerd, beter bekend als het Wiebes/Hoekstra-fonds, met de belofte dat experts op afstand de politiek zouden behoeden voor kortetermijndenken. De praktijk bleek weerbarstiger dan de belofte deed vermoeden.
Technocratische verleiding
Nu zien we internationaal exact dezelfde reflex. We noemden al de Europese Commissie, die vrijwel iedere nieuwe crisis beantwoordt met een nieuw financieringsvehikel op afstand van de reguliere democratische besluitvorming. Alsof publieke middelen zorgvuldiger worden besteed zodra zij verder van kiezers, parlementen en begrotingsdiscipline worden geplaatst. Ook onze oosterburen zijn voor de technocratische verleiding gevallen. Duitsland plaatste na de Russische inval in Oekraïne 100 miljard euro in een afzonderlijk Sondervermögen, buiten de reguliere begrotingsdiscipline om. Ook daar werd een belangrijk deel van de uitgaven buiten de normale begrotingssystematiek geplaatst.
Het is een zorgelijke trend: politieke keuzes worden ondergebracht in aparte financiële constructies, alsof zij daardoor minder politiek worden. Dat zijn ze uiteraard niet. Achter iedere investering schuilt een keuze over welke bedrijven, regio’s en technologieën voorrang krijgen. Bovendien trekt een fonds van 100 miljard euro onvermijdelijk lobbyisten, consultants en belangengroepen aan die hun eigen sector als strategisch zullen presenteren.
Wat wordt verkocht als neutrale financiering blijkt in de praktijk gewoon politiek te zijn, maar dan zonder de democratische transparantie die normaal gesproken bij politieke keuzes hoort.
Geen schaduwbank
Nederland heeft geen schaduwbank van 100 miljard euro nodig die de democratie uitholt. Nederland heeft politici nodig met de ruggengraat om 100 miljard euro openlijk aan de kiezer uit te leggen. Zo hoort dat in een parlementaire democratie.
Zoals D66-oprichter Hans van Mierlo ooit terecht zei: democratie is niet voor tere zieltjes.