Longarts Sander de Hosson: ‘We kunnen met zijn allen niet doen alsof de dood niet bestaat tot we 18 zijn’

De dood moet uit het verdomhoekje, weet longarts Sander de Hosson uit ervaring. Daarom schreef hij er, samen met journalist Els Quaegebeur, een kinderboek over. ‘Als je zelf moet invullen wat de dood is, dan is dat veel enger dan wat er in de realiteit gebeurt.’

De Hosson (48), die al vijftien jaar als longarts werkt in het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen, heeft in zijn vak tegen wil en dank bovenmatig vaak te maken met de dood; longkanker is één van de dodelijkste vormen van kanker. Naast zijn werk schrijft hij columns, boeken, en organiseert hij congressen en opleidingen in de palliatieve zorg. Quaegebeur (51), die eerder Leven toevoegen aan de dagen met hem schreef, werkt sinds drie jaar als vrijwilliger in een hospice.
‘Als opa op een wolk zit, en hij valt er vanaf, gaat hij dan opnieuw dood?‘

Waarom is dit kinderboek een goed idee?
‘Ik denk eigenlijk dat dit boek veel te laat komt’, zegt De Hosson. ‘De afgelopen honderd jaar hebben we de dood uit onze maatschappij verbannen. Een eeuw geleden was de dood overal: mensen werden niet oud, en ook kinderen stierven veel vaker. Nu is de dood gemedicaliseerd. Sterven gebeurt achter gesloten deuren. Vier op de tien mensen hebben nog nooit een stervend lichaam van dichtbij gezien. Als ik in al die jaren iets heb geleerd, dan is het dit: het is goed om open en eerlijk te zijn. Als je niet over de dood spreekt, wordt hij steeds rauwer. Heftiger. Dan krijgen kinderen allerlei fantasieën in hun hoofd die niet overeenkomen met de werkelijkheid. Je beschermt kinderen niet door informatie over de dood bij hen weg te houden. Sterker nog: ik denk dat je hen zo juist beschadigt.’
Quaegebeur: ‘We kunnen met zijn allen niet doen of de dood niet bestaat tot we 18 zijn. Kinderen zien het ook om zich heen.’
De Hosson: ‘Dieuwertje Blok, die lieve mevrouw van het Sinterklaasjournaal – die ging in één keer dood. Voor kinderen was dat echt een heel belangrijk persoon.’
Hoe beschadig je kinderen dan?
De Hosson: ‘Als je zelf moet bedenken en invullen wat de dood is en hoe sterven gaat, dan is dat veel enger dan wat er in de realiteit gebeurt. Dan wordt de dood een monster. Ik sprak een jongetje dat te horen had gekregen: jouw opa gaat slapen. Hij zei: maar dan wordt hij toch ook weer wakker? Zelf was hij nu bang om te gaan slapen. We hebben de natuurlijke houding om tegen kinderen te zeggen: hier ben je te jong voor. Er zijn zo veel termen bedacht om het te verzachten. Een meisje zei: als opa een sterretje is, hoe kan hij dan op de begraafplaats liggen? Ik vind dat kinderen recht hebben op eerlijke informatie. Daar is weinig onderzoek naar gedaan, maar we hebben met rouwexperts en kinderpsychologen gesproken. Volgens hen is dit heel belangrijk.’
‘Mijn vader is een paar jaar geleden overleden. Toen vond ik het zó fijn dat ik door een verzorgende aan de hand werd genomen die me vertelde: Sander, je vader gaat er anders uitzien, zijn gezicht vervormt, zijn wangen vallen in. Ze maakte me duidelijk wat wel normaal was, en wat niet. Daar heb ik veel aan gehad. Ik ben natuurlijk gepokt en gemazeld in dit vak, maar toen ik daar als zoon aan dat bed zat, met mijn eigen verdriet en mijn eigen angsten, was alles anders.’
Voor hun boek verzamelden ze prangende vragen van kinderen. Doet doodgaan pijn? Wat moet je tegen een stervende zeggen? Mag je huilen? Waarom wordt een dode stijf? Wat zie je aan iemand die net is overleden?
Els Quaegebeur – bezocht een schoolklas en sprak met kinderen over de dood. Eén meisje vroeg:
‘Als opa op een wolk zit, en hij valt er vanaf, gaat hij dan opnieuw dood?‘
De Hosson: ‘Als mensen over de dood praten, gaat het vaak over de muziek die op de begrafenis gedraaid moet worden. Heel mooi, maar die fase daarvóór: daar moet je iets over willen weten. Mijn vader is overleden aan dementie. Ik heb destijds aan hem gevraagd, zo goed en zo kwaad als het kon: waar wil je overlijden? Hoe ver wil je dat we gaan?
‘Je moest eens weten hoeveel mensen wij in het ziekenhuis op de spoedopvang binnenkrijgen om 1 minuut voor 12, die nog nóóit gesproken hebben over wat er wel of niet moet gebeuren. Dan moeten wij als artsen dus de beslissing nemen bij ontzettend zieke mensen: gaan we ze nog beademen? Reanimeren? Terwijl het heel erg fijn zou zijn als iemand van tevoren zou hebben gezegd: joh, als mijn lichaam uit elkaar valt, doe dan in godsnaam niets meer. Laat me dan gaan. Die basisgesprekken over grenzen, het is zo waardevol om dat van tevoren te weten.’