Polarisatie: Laat je eens besmetten met de ideeën van een ander

Polarisatie Stine Jensen en Halil Karaaslan hebben botsende idealen, maar vinden elkaar wel in hun goede gesprekken. Ze pleiten voor meer ontmoetingen over heikele thema’s.
et debat over artikel 23 is volop terug. Dankzij kritische reportages van Nieuwsuur over ondemocratisch lesmateriaal op reformatorische en islamitische scholen, en de ophef rondom Henri Bontenbal die stelde dat het afwijzen van homoseksuele relaties nu eenmaal het gevolg is van de vrijheid van onderwijs (hij kwam daar later op terug), staat de relatie tussen geloof en onderwijs weer op de agenda.
Gesprekken over het belang van bijzonder onderwijs polariseren vaak snel, zoals dat met meer onderwerpen die te maken hebben met geloof en secularisatie gebeurt. Zodra het gaat over bijvoorbeeld gebedsruimten, bijzonder onderwijs, religieuze kleding bij de politie, weigerambtenaren of seksuele voorlichting, gaat het er in het publieke debat pittig aan toe.
Slechts een enkeling waardeerde de ontmoeting, de poging er samen uit te komen.
Wij, Halil Karaaslan (moslim) en Stine Jensen (atheïst, seculier), kunnen het weten. Nadat een fragment van een gesprek tussen ons over gebedsruimten op openbare scholen op Instagram werd gezet, reageerden veel mensen – het onderwerp leeft kennelijk – maar de meesten deden dat door een kamp te kiezen: #teamhalil of #teamstine. Slechts een enkeling waardeerde de ontmoeting, de poging er samen uit te komen.

Ongetwijfeld heeft dat ook te maken met de mechanismen van sociale media, waarbij de meer spraakmakende of polariserende momenten in clips belanden. Maar het riep een belangrijke vraag op: hoe ga je eigenlijk zinvol in gesprek over heikele kwesties?
Eerlijk is eerlijk: over gebedsruimtes in het openbaar onderwijs worden wij twee het mogelijk nooit helemaal eens – en dat geldt wellicht ook voor de rest van de samenleving. We praten en appen er nu al jaren over. De een (Stine) wil dat de ander het wezen van de openbare school respecteert: wel geloofsoverdracht, geen geloofsbeoefening. Geen gebedsruimte. De ander (Halil) wil zichzelf kunnen zijn: bidden dus. Soms zetten we het scherp aan: ‘Staatsatheïst!’ ‘Relipropagandist!’
Elkaar helemaal overtuigen lukt zelden, en toch blijft het gesprek boeiend. De waarde zit niet in het resultaat – een debat met een winnaar en een verliezer – maar in de kans om écht te begrijpen waar de ander vandaan komt.

Zo zijn er gesprekken waarin vooroordelen een rol blijken te spelen, zoals de aanname van Stine dat Halil in zijn lessen als docent maatschappijleer vast geen cartoons met de profeet Mohammed in zijn klas laat zien. Hij doet dat juist wel, anders zoeken de leerlingen de cartoons buiten de klas toch wel op, en kun je het gesprek erover niet meer voeren. Andersom dacht Halil dat Stine hem alleen zou waarderen als hij haar seculiere waarden compleet onderschrijft.
Wat lukt, is het over een heleboel zaken wél eens worden, en iets opsteken: van elkaars achtergrond, van wat er op het spel staat, en inzicht in waaróm we van mening verschillen.
Daar word je doorgaans niet tot aangemoedigd in de publieke ruimte. Veel mensen lijken bang om ‘besmet’ te raken door andermans ideeën. De publieke ruimte beloont stellingname: hoe overtuigder de mening, hoe groter het applaus. Twijfel wordt gezien als zwakte.