Het denken in superieure en inferieure mensen heeft ons nog altijd niet volledig verlaten

In 1897 werd in Brussel de Wereldtentoonstelling gehouden, ter gelegenheid waarvan de Belgische koning, trots op zijn overzeese koninkrijk, een miniatuur-Congo liet inrichten. 267 mannen, vrouwen en kinderen werden weggerukt van hun geboortegrond en per schip naar België vervoerd, om te worden tentoongesteld in drie ‘negerdorpen’. Twee maanden lang moesten ze hun dagelijks leven in Congo nadoen, schaars gekleed, in de Belgische kou. Bezoekers gooiden snoepjes en bananen naar hen, waarna een bordje werd opgehangen met de waarschuwing: ‘Geef geen eten aan de inboorlingen, ze worden al door ons gevoed.’
Dichter bij huis vond in 1928 in de latere dierentuin Blijdorp een tentoonstelling van Senegalezen plaats. Een ‘mensentuin’, we kunnen het ons nu niet meer voorstellen. Maar dat was toen. Het is bekend dat in de tijd van de koloniën een systeem werd ingevoerd met als uitgangspunt dat er superieure en inferieure mensen bestonden. Dit systeem diende om mensen te kunnen onderwerpen, onderdrukken, als slaven te kunnen houden en verhandelen. Mensen als eigendom van andere mensen. De politiek, de wetenschap en het recht droegen ieder hun steentje bij aan het actief ontmenselijken van de oorspronkelijke bewoners van de koloniën.
Die tijd is voorbij, uiteraard, excuses zijn gemaakt (voor wat ze waard zijn) en mensentuinen zullen niet snel terugkeren in Europa. Maar de echo van de koloniën is nog altijd te horen. De neiging om mensen in te delen in categorieën. En vervolgens, voor politiek of ander gewin, negatieve gevoelens voor een bepaalde categorie aan te wakkeren.
In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog waren het de Joden die werden geframed als minder waard. Maar zij werden niet ingezet als vermaak, ondergebracht in een mensentuin. Nee, want Joden waren ongedierte. Ratten die moesten worden verdreven. Verdelgd. We lieten het ons wijsmaken.
In Rwanda werd tijdens de massaslachting in 1994 zo’n 70 procent van de Tutsi’s uitgemoord in slechts honderd dagen, nadat zij jarenlang op de nationale radio voor kakkerlakken en slangen waren uitgemaakt. De Hutu’s lieten het zich wijsmaken.
De uitspraak van de voormalige Israëlische defensieminister dat Israël vecht tegen ‘menselijke dieren’ past mooi in dit rijtje. Wat nu plaatsvindt in Gaza zal zonder enige twijfel in de geschiedenisboeken de titel genocide dragen. En ook hieraan gingen decennia van zorgvuldige ontmenselijking vooraf. Het kost mij, en velen met mij, steeds meer moeite om het verschil te zien met wat de Joden in de Tweede Wereldoorlog is aangedaan. De doelbewuste vernietiging van een volk.
De geschiedenis bewijst telkens opnieuw tot welke gruweldaden wij mensen in staat zijn, wanneer we ophouden de mens te zien in anderen. Het is de ander die onze veiligheid aantast, ons voortbestaan. En daarom moet die ander verdreven worden. Vernietigd.
In Nederland hebben we, net als in veel andere Europese landen, de afgelopen jaren in toenemende mate een nieuwe zondebok op het oog: de asielzoeker. Partijen als de VVD bleken bereid de feiten te verdraaien – Dilan Yesilgöz voorop (‘nareis op nareis‘). Media klopten de boel op, met koppen als: ‘Ter Apel bomvol: “Wij kunnen asieltsunami niet aan”’ En inmiddels gelooft een aanzienlijk deel van Nederland dat asielzoekers ons grootste probleem zijn. Asielzoekers die onze banen komen inpikken, onze welvaart, onze huizen. Dit doelbewuste en leugenachtige frame is niet onschuldig en blijft niet zonder gevolgen.
Nee, ik zeg niet dat de manier waarop wij tegenwoordig over asielzoekers praten vergelijkbaar is met het genocidale geweld dat Israël pleegt tegen de Palestijnen. Maar het zou de kiem kunnen blijken te zijn van iets waarvan we in de toekomst zullen zeggen: dit nooit weer. Je hoeft asielzoekers immers niet expliciet ongedierte te noemen, als uit al je uitlatingen en handelingen (zoals de motie-Becker) blijkt dat dit is hoe je over hen denkt.
Het denken in superieure en inferieure mensen heeft ons nog altijd niet volledig verlaten. De tijd van de koloniën echoot door. We moeten de mens blijven zien in de ander. De gelijkwaardige mens. En wanneer dit ons lastig wordt gemaakt door politieke machthebbers – juist dan – moeten we hier moeite voor doen.