Dokter, hoelang heb ik nog? Wat een prognose doet met patiƫnten en waarom artsen die liever niet geven

Overlevingscijfers te rooskleurig
Artsen zijn terughoudend om patiĆ«nten een levensverwachting mee te delen, zo blijkt uit tal van internationale onderzoeken; de meerderheid zegt het liever niet. āIk begin altijd een beetje te draaien als ik de vraag krijgā, zegt Hans Westgeest, oncoloog in het Amphia-ziekenhuis in Breda. āHet probleem is namelijk dat je nooit gelijk hebt.ā
Bij het geven van een prognose moeten artsen zich baseren op de overlevingscijfers van patiĆ«nten uit medische studies. Ze kijken naar de mediaan, de middelste waarde in de tabellen. Westgeest: āDat betekent dat de helft van de patiĆ«nten eronder zit en de helft erboven. Ik ben gespecialiseerd in uitgezaaide prostaatkanker en in de medische onderzoeken gaat de mediaan de laatste jaren naar vijf jaar, met een enorme spreiding. Sommige patiĆ«nten leven nog tien jaar. Wat zeg ik dan tegen de patiĆ«nt?ā
Daar komt bij dat de overlevingscijfers uit onderzoeken te rooskleurig blijken. Veelzeggend is het grote verschil dat oncoloog Patricia Hamers ontdekte toen ze voor haar proefschrift onderzoek deed naar de overleving van patiƫnten met darmkanker. In de medische onderzoeken gaan de cijfers richting de 30 maanden, maar toen ze de cijfers bestudeerde uit de Nederlandse kankerregistratie kwam ze niet verder dan 15 maanden gemiddeld.
Dat verschil is verklaarbaar, zegt ze in een telefonische uitleg. Voor medisch onderzoek worden de jongste en fitste patiƫnten geselecteerd, zij zijn niet representatief voor de gemiddelde kankerpatiƫnt. Het duurt ook altijd even voordat nieuwe behandelingen op de markt komen: de gunstige cijfers uit die studies lopen dus voor op de praktijk.