Ik wil de stelling dat ‘biologisch te weinig produceert’ simpelweg niet meer horen

Afgelopen week heb ik zitten lezen over de laserwiedrobot. Dit genoegen had ik te danken aan kritische lezers die me afgelopen week mailden over mijn voorkeur voor biologische landbouw.
Of ik me wel realiseerde dat we met biologische landbouw te weinig voedsel produceren om met z’n allen van te eten? Het had ook nog in de krant gestaan trouwens. ‘Als iedereen biologisch boert, produceren we te weinig als wereld’, zei bijvoorbeeld Bart de Steenhuijsen Piters van de Wageningen Universiteit in een artikel in deze krant over het gebruik van kunstmest.
Dat argument – biologisch produceert te weinig – zou ik graag uit de wereld hebben. Laten we kijken.

Ten eerste schuilt achter het argument een ‘verborgen veronderstelling’, zoals dat heet. Die luidt: als we blijven eten zoals nu. De complete stelling is dus: ‘Als we ons voedselpatroon handhaven levert de biologische productiewijze te weinig voedsel op.’
Dat huidige voedselpatroon is: veel dieren eten. En om die dieren te voeden, is heel veel landbouwgrond nodig. We kunnen de stelling daarom ook zo formuleren: ‘Als we ons voedingspatroon aanpassen – minder dierlijk eiwit eten, méér plantaardig eiwit – levert de biologische productiewijze misschien wél genoeg voedsel op.’
Ten tweede: vanwaar het extremisme? Als iedereen biologisch boert… Heus: iedereen? Het marktaandeel van biologische landbouwproductie in Nederland is ongeveer 5 procent, wereldwijd nog minder. Als we dat percentage wereldwijd nu eerst eens op 50 hebben gebracht, zullen we ons dan daarna nog eens afvragen of er wel een probleem is als echt ‘iedereen’ biologisch boert?

Ten derde: vanwaar het statische denken? Er schuilt namelijk nóg een verborgen veronderstelling achter de stelling dat ‘bio’ te weinig produceert. Namelijk: bij de huidige stand en gebruik van de techniek. Dus: bij het huidige voedselpatroon én bij de huidige techniek produceert bio te weinig. Maar die techniek gaat dus vooruit.
Om dit te illustreren zocht ik naar ‘hightech biologische landbouw’, en het bleek nog een gebruikte term ook. Ik kwam terecht bij de Nationale Proeftuin Precisie Landbouw (NPPL), en daar las ik met rode oren over de ‘laserwiedrobot’ van het Nederlandse bedrijf Trabotyx.
Hun robot struint, aangedreven door batterijen en een zonnepaneel, aangestuurd door gps, de akkers af vol jonge peen, rode biet en uien, en verwijdert in 6,5 uur op een hele hectare al het onkruid met blauwe laserstralen.
Peen, biet en uien krijgen zo vrije groeiruimte. De ‘autonome laserwieder’ bespaart in de biologische landbouw heel veel uren wiedarbeid. Maar waarom zou je het gebruik ervan beperken tot bioboeren? In de ‘reguliere’ landbouw kan zo’n robot heel wat ‘gewasbeschermingsmiddelen’ uitsparen.
Dit soort dingen bedoel ik. Met vooruitgaande techniek kan de biologische productiewijze efficiënter worden. En de nieuwe techniek is vaak óók toepasbaar in de reguliere landbouw.
Ten vierde: beleid. De laatste verborgen veronderstelling gaat over het overheidsbeleid. Alsof dat vastligt. Maar als de overheid zo verstandig zou zijn een stevige belasting in te voeren op gewasbeschermingsmiddelen (lees er desgewenst de Knikker op na van 7 december 2024), en de opbrengst zou gebruiken bij het overschakelen naar boeren-zonder-spuiten, zoals met de wiedrobot, dan zou de overheid bijdragen aan de groei van bioboeren en het terugdringen van de schadelijkheid van de reguliere landbouw.
Ons eetpatroon ligt niet vast. De techniek dendert voort. De overheid kan beter beleid maken. Ik wil daarom de stelling dat ‘biologisch te weinig produceert’ simpelweg niet meer horen. We moeten vooruit, beste lezers: laat de biologische productiewijze bloeien.
