In Israël is archeologie geen koele wetenschap, maar graven in een politiek mijnenveld

Archeoloog Martine van den Berg keert zich fel tegen vakgenoten die, spittend in de grond van Israël en Palestina, het zionistische kolonistenideaal vooruithelpen. En passant schopt ze wat Israëlische heilige huisjes omver.
De Utrechtse godsdienstwetenschapper Martine van den Berg (53) woonde lang in Israël, waar ze archeologie studeerde – en Joods werd. Binnenkort gaat ze er opnieuw heen, om er promotieonderzoek te doen.
Vorig jaar publiceerde ze Genesis van het verraad, een roman die speelt na de Hamasterreuraanslagen van 7 oktober 2023. Het boek is haar ‘coming-out’ als wetenschapper die het zionistisch nationalisme scherp bekritiseert.
Ze heeft geen goed woord over voor archeologen die ‘ongegeneerd in Palestijns gebied graven, of die fondsen aannemen van nationalistisch-Joodse of christelijk-zionistische geldschieters’. “Die zijn niet geïnteresseerd in iets anders dan ‘de Bijbel heeft toch gelijk’”, zegt ze.
U hecht aan onafhankelijk archeologisch onderzoek. Maar in uw roman lees ik dat die regio een wespennest is. Hoe manoeuvreren uw vakgenoten daarin?
“De Israel Antiquities Authority weigert in de bezette gebieden te werken. Dat zijn archeologen die hun carrière niet willen vergooien, als wetenschappers willen ze op internationale congressen spreken. Die kans is verkeken als ze doen wat hen internationaal verboden is: graven in Palestijnse grond.”
Om dat toch mogelijk te maken, heeft het militair gezag een nieuwe dienst opgetuigd, vertelt Van den Berg. “Dat merk je aan de taal van die archeologen: ze hebben het over Samaria en Judea, de kolonistentermen voor bezette gebieden. En ze zijn selectief. Omdat ze ideologisch verbonden zijn met de regering, moffelen ze Romeinse, Hellenistische of islamitische archeologische grondlagen weg, ze delven liever Joods erfgoed op. Erfgoed, positief klinkt dat, hè? Maar dat is wel de subtiele term waarmee verdrijving van Palestijnen wordt goedgepraat.”
Het werk van archeologen wordt na de Hamasaanslagen van 7 oktober sterk voor politieke doeleinden ingezet, zegt Van den Berg. De – liefst Joodse – vondsten moeten Israëls zelfbeeld ondersteunen: een Joodse staat die óók recht heeft op grondgebied dat volgens internationaal recht Palestijns is.
Wanneer merkte u voor het eerst dat archeologie politiek was?
“Dat besef kwam geleidelijk. Toen ik in 1995 Tel Hazor in Noord-Israël bezocht, hoorde ik dat Israëlische archeologen die niet uit waren op ‘bijbelse vondsten’ alleen maar gezocht hadden in lagen uit de bronstijd. Die waren voor hen relevanter; de laag erboven, uit de Israëlitische fase, hadden ze weggegooid. Hun eigenbelang stond voorop.”
Iets dergelijks, maar omgekeerd, is in Jeruzalem gebeurd – bijna. Daar stuitten onderzoekers op resten van een prachtig islamitisch paleis uit de vroege achtste eeuw, naast de toen gloednieuwe Rotskoepel en de Al-Aqsamoskee. De opgravingsleider zei meteen: bulldozeren! Gelukkig had iemand de vondst gelekt en werd de vernietiging verijdeld.”
Het tweede voorbeeld karakteriseert volgens Van den Berg de uitwassen van de ‘nationalistisch-zionistische’ tak van de archeologie. “Die is eropuit om te bewijzen dat de bijbelse verhalen feitelijk kloppen, dat bijvoorbeeld op de Westbank Joodse bewoning was, wat de Joodse claims op het gebied volgens hen rechtvaardigt.”
Rond 2000 realiseerde Van den Berg zich hoezeer het graven naar de geschiedenis een politiek mijnenveld was, en een wetenschappelijk moeras. “In Jeruzalem heb je de Stad van David, een toeristentrekpleister. Het is een door kolonisten opgezet archeologisch project in Oost-Jeruzalem, waar Israëliërs volgens het internationale recht niet mogen graven. Hun bedoeling was te bewijzen dat koning David echt had bestaan, dat hij macht had en een groot rijk. Ze werkten met een ideologisch doel, niet volgens academische standaarden, waardoor hun bevindingen weinig waard zijn. Hun bewering is: wij, Joden, waren hier eerst, en ons grondgebied loopt van Libanon tot aan Berseba en van Damascus tot aan de Middellandse Zee.”
Hoor ik daar de Palestijnse leus: ‘From the River to the Sea’?
“Nee, het is erger. Hun gedroomde Groot Israël beslaat een groter gebied, ver voorbij de rivier de Jordaan.”
In haar roman gebruikt Van den Berg fictie – de verzonnen archeologiejournaliste Shira Gutman – die haar lezers een hoop feiten presenteert. Gutman komt in de knel door haar ‘verraad’, ze trekt de nationalistische interpretatie van archeologische vondsten in twijfel.
Gutman houdt zich aan de stand van huidige wetenschap, ook als die niet strookt met de historie zoals het geïsoleerde en gewelddadige Israël die graag ziet. Dat ‘narratief’ werkt als een canon die het bestaan en het optreden van de staat rechtvaardigt.
De journaliste gaat die canon te lijf met ontnuchterende feiten. Zoals: volgens het bijbelboek Jozua stortten de muren van Jericho in, maar die stad hád in die periode helemaal geen muren. Of: de meeste experts beschouwen de zelfmoord van bijna duizend opstandige Joden in Massada (73 n. Chr.) als fictie.
Wat maakt dat voor een Israëliër nou uit, dat iets niet echt gebeurd is?
“Jericho? Dat maakt niet veel uit. En het gekke is: dat Massada een mythe is, kon je twintig jaar geleden ook nog gewoon zeggen. Maar nu maakt dat verhaal van collectief verzet en moedige opoffering deel uit van de nationale identiteit. De zionistische staat Israël heeft zulke geschiedenissen nodig tegenover het Holocausttrauma, van Joden die zich zogenaamd als lammeren ter slachting hadden laten afvoeren. Massada’s Joden hadden een hoger doel en gingen tot het uiterste. Dat is het nastreven waard.”
Nog een heet hangijzer: de Makkabeeën. De eerste twee naar hen genoemde bijbelboeken spelen in de laatste eeuwen voor Christus; ze staan wel in de katholieke bijbel, niet in de protestantse. Shira Gutman, de hoofdpersoon in Van den Bergs roman, citeert eruit: “We hebben van niemand land afgenomen en we hebben geen heerschappij over het territorium van een ander volk, maar over de erfenis van onze voorvaderen. Sterker nog, onze vijanden hebben dit gebied enige tijd onrechtmatig ingenomen. Maar wij houden nu, de gelegenheid zich heeft voorgedaan, vast aan de erfenis van onze vaderen.”
Volgens Gutman zou minister Bezalel Smotrich, een van de felste ultrarechtse kolonisten in Netanyahu’s kabinet, dat zó onderschrijven, omdat het de Mythe van het Lege Land ondersteunt. Dat is de zionistische gedachte over de stichting van Israël in 1948, voor Joden als volk zonder land dat gaat wonen in een land zonder volk.

Gutman maakt van de Makkabeeën rolmodellen voor de fanatieke religieus-zionisten. Legt u dat verband via uw romanpersonage niet al te simpel?
Van den Berg: “Nee, minister Itamar Ben-Gvir en andere extremistische kolonisten beroepen zich zelf op de Hasmoneeën, zoals de Makkabeeën later gingen heten. Dat waren vechtersbazen, assertieve Joden. Dat spreekt kolonisten meer aan dan de stereotiepe Oost-Europese, bleke Jood die voorovergebogen en weerloos zijn Talmoed bestudeert, en de verwesterde Jood die zo assimileert dat-ie oplost in de maatschappij.”
Ook voor de staatsinrichting vormen Makkabeeën een inspiratiebron. “Vóór hen had je een koning, een hogepriester en een profeet – scheiding van kerk en staat, zou je nu zeggen. De Makkabeeën bouwden een agressieve theocratie op. Met veel bloedvergieten breidden ze hun territorium uit – de overwonnenen mochten kiezen: Jood of dood. Ze beriepen zich op het enorme rijk van David.”
Of David een staat heeft gehad, daar bestaat nog geen bewijs voor, wat alle ruimte biedt voor speculatie. Van den Berg vermoedt dat die staat klein was. “Dat grote rijk hebben de Makkabeeën verzonnen. Kolonisten zien het als hun taak om dat davidische Groot-Israël te realiseren – ook in Gaza, alles naar Makkabees voorbeeld.”
Dat veel Joodse sportorganisaties zich ‘Maccabi’ noemen, kan Van den Berg maar matig waarderen. “Vragen ze zich wel eens af hoe fundamentalistisch en wreed hun voorbeelden waren?”
Nu we toch bezig zijn met opmerkelijke helden: Simon Bar Kochba, die van 132 – 135 n. Chr. een guerrillaoorlog tegen de Romeinen leidde. Volgens Shira Gutman hield hij zich schuil onder de burgerbevolking in tunnels die hij als militaire uitvalsbases gebruikte. Precies zoals Hamas tijdens de Gaza-oorlog deed.
“Israël lijdt aan een chronisch traumatisch stresssyndroom. Dat heeft 7 oktober verhevigd. Dan vallen zulke vergelijkingen heel slecht. Dat kan alleen in een roman. Toch is de huidige heiligenstatus van Bar Kochba bizar. De rabbijnen hebben hem terecht 1800 jaar lang als moordenaar afgeschilderd, omdat hij de dood van – zeggen de bronnen – meer dan een half miljoen onschuldige Joden op zijn geweten had.”
In 1960 volgde de zionistische omslag. Toen ontdekte archeoloog Yigael Yadin bij de Dode Zee brieven van deze rebellenleider, ondertekend met ‘nasi’, ‘leider’. ‘Nasi’ is ook de aanduiding voor de president van Israël. Yadin overhandigde hem de brieven: ‘Hier heb ik de laatste brief van de presidenten van toen en jij bent de eerste van nu.’ Zo maakte Yadin Bar Kochba tot het symbool voor het herstel van historisch onrecht. Daarvoor moest wel het slechte imago van Bar Kochba 180 graden draaien. Dat is gelukt. In Israël speelden mijn kinderen op de basisschool Bar Kochbaatje.”
Eind september gaat u zelf naar Israël, voor promotieonderzoek naar de vernietiging van Jeruzalem in het jaar 70 door de Romeinen. Waarom is dat relevant?
“Dat de stad totaal verwoest is, is bijvoorbeeld voor nieuwtestamenticus Geurt Henk van Kooten essentieel voor zijn datering van de evangeliën. Ik vrees dat die op drijfzand is gebouwd, nieuw archeologisch onderzoek wijst uit dat niet alles is afgebroken. Bovendien zijn enkele destructielagen niet in het jaar 70 te dateren.”
Het ‘traditionele narratief’ is dat de diaspora (de verspreiding van Joden over de wereld) in dat jaar is begonnen, net als het rabbijnse Jodendom. Dat is onder historici allang herzien. “Daar komt nu steeds meer archeologisch bewijs bovenop. Sommige Joden gingen na 70 in de buurt door met hun leven. En de rabbijnse traditie gaat terug tot ver voor dat jaar.”

Voor Joden is de verwoesting tot op vandaag een dramatische gebeurtenis. “Het is nog altijd een rouwdag, Tisha B’av. Op de laatste Tisha B’av zei minister Ben-Gvir, wandelend over de islamitische Haram al-Sharif – bekend als de Tempelberg: ‘Hier moet de nieuwe tempel komen’. Terwijl het Jodendom in 2000 jaar wel heeft bewezen ook zonder tempel te kunnen. Het is een veerkrachtige en innovatieve religie die zichzelf steeds opnieuw uitvindt.”
Met uw roman hebt u zich als archeoloog sterk geprofileerd als criticus. Voor uw wetenschappelijk werk lijkt me dat ingewikkeld.
“Ik móest die roman schrijven. Maar daarmee heb ik het me inderdaad niet makkelijker gemaakt. Want ik ben kritisch op de mensen die ik straks hard nodig heb om gegevens te verzamelen voor mijn promotieonderzoek.”

U wilt daarin het traditionele beeld van de verwoesting van de tempel verder nuanceren. Dan zult u daar moeten graven, bij de Kotel, de Klaagmuur.
“Nou, als ik de kans krijg… Natúúrlijk zou ik graag meedoen aan de opgraving onder het plein van de muur. Maar het is betwiste grond, met Joodse, islamitische en christelijke geschiedenis, daar mag je niet graven. Dat is belangrijker dan mijn wetenschappelijke fascinatie. Helaas. Maar dat ik even aarzelde bij uw vraag toont wel aan hoe makkelijk zelfs een seculiere onderzoeker als ik die grens wél overgaat.”
De fictieve, kritische Shira Gutman komt in uw roman in aanvaring met de overheid. Krijgt u geen last als u straks in Israël landt?
“Ik hoop dat dat me bespaard blijft, maar ik ben er niet helemaal gerust op.”
