De boer is een logische mascotte voor veel Nederlanders die de ogen sluiten voor de grenzen van de groei


is journalist, ondernemer en columnist van de Volkskrant.

Naast het koningschap is er maar één beroep dat je eigenlijk alleen maar op basis van overerving kan uitoefenen: boer. In theorie zou je natuurlijk een boerderij kunnen kopen, maar in de praktijk is dat door de enorme kapitaalbehoefte een zeldzaamheid. Ondanks dit privilege hebben de boeren zich succesvol weten te verkopen als de ultieme gewone man, omdat men in Nederland gewoonheid nu eenmaal afmeet aan accenten, het dragen van driekwartsbroeken en een kapsel dat in mijn Twentse jeugd ‘stekkels’ heette.
Die gewone mannen hadden vorige week maar weer eens een dag uitgetrokken om illegaal met trekkers over de snelweg te rijden. In een file die daardoor ontstond ging het helemaal mis, met twee doden en zes gewonden als gevolg. Caroline van der Plas noemde het een ‘domper’ voor een ‘verder mooi protest’. Alsof het om een late gelijkmaker of een verregend festival ging. BBB-Europarlementariër Sander Smit ging nog verder: ‘Het probleem is het onoplettende gedrag van bestuurders die achterop de file naderen’.
FDF-voorman Mark van den Oever, der boeren kinkelst, had zichzelf even daarvoor een variant van de Jodenster opgeplakt, omdat hij het vermeende onrecht dat de boeren aangedaan wordt even erg vindt als wat de Joden in de Tweede Wereldoorlog overkwam. Dronken van misplaatst slachtofferschap vergelijkt hij het einde van de privileges van enkele boeren met de massamoord op een volk.
Het protest werd georganiseerd omdat de vergunning van vijf Brabantse pluimveebedrijven dreigt te worden ingetrokken. Nieuwsuur ging langs bij één van de vijf bedrijven, met een overigens sympathiek ogende eigenaar. Zijn ‘boerderij’ bestaat uit een dystopische kippenfabriek waar arbeidsmigranten aan de lopende band eieren inpakken in een grote hal. De valse romantiek gaat dus niet alleen voorbij aan het geërfde bezit, maar ook aan de geïndustrialiseerde praktijk.
RTL interviewde een vrouw bij het protest in Brabant. ‘Als we dit niet doen, kan hij het niet overnemen’, zei ze wijzend naar haar (klein)zoon. Dat klinkt veel Nederlanders redelijk in de oren, maar waarom zouden kinderen van boeren recht hebben op de baan van hun ouders? Alle andere kinderen in Nederland moeten toch ook hun eigen werkende leven zelf opbouwen?
Smit, Molenaar of Kolenbrander; in de bevolkingsregisters wemelt het van de achternamen die verwijzen naar beroepen die niet meer bestaan. Tijden veranderen, regels veranderen, banen verdwijnen. Dat vinden we logisch bij elk beroep, behalve bij de boer. Niemand vindt dat de boer moet verdwijnen, maar 50 procent van ons landoppervlak voor 1,4 procent van het BBP is gewoon absurd.

Jaimi van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Foto Martijn Beekman en Valerie Kuypers
Bij het sluiten van de Limburgse kolenmijnen in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw verdwenen 75.000 banen. Zonder compensatie, zonder uitkoop. Toen het internet opkwam, gingen de kinderen van boekhandelaren de snelweg niet blokkeren met encyclopedieën omdat zij de familietraditie wilden voorzetten. Maar als er vijf (!) pluimveebedrijven dreigen te verdwijnen, vinden de autoriteiten en de bevolking grootschalige verstoringen van de openbare orde blijkbaar proportioneel.
De boer is een logische mascotte voor veel Nederlanders, die net als de boer graag de ogen sluiten voor de grenzen van de groei. Banger om iets kwijt te raken dan ambitieus genoeg om nieuwe kansen te pakken. Die angst dwingt de overheid tot concessies, die weer zorgen voor nieuwe, maar valse hoop. Boeren zijn over het algemeen heus sympathieke en hardwerkende mensen en de manier waarop zij in onzekerheid worden gehouden, is verwijtbaar. Maar dat Nederland zich nu al decennia de ordeverstoringen van een minderheid van nepobaby’s laat welgevallen en hen daarbij ook nog als slachtoffers omarmt, is volstrekt krankzinnig.