Psychiater Annemiek Dols: ‘Ik kan echt boos worden, vooral op oude witte mannen’

© Amsterdam UMC
Zelfingenomen mannen ‘van een zekere generatie’ vindt psychiater en wetenschapper Annemiek Dols superirritant. ‘Mannen die na een lezing de hand opsteken en geen vraag stellen, maar een eigen verhaal houden. Daar kan ik echt boos om worden.’
Dols schenkt Pellegrino in onder een weldadige airco in een koffiezaak in Amsterdam-West, waar ze met haar man woont. Als psychiater en wetenschapper zal ze op dit broeierig warme middaguur haar licht laten schijnen over de zeven hoofdzonden, waaronder afgunst, woede en onkuisheid. Aan de andere tafels buigen dames op leeftijd zich over hun gebak en verschuilt een student zich achter haar laptop.
In het afgelopen half jaar mocht Dols zich verheugen in ruime media-aandacht met reportages over elektroconvulsietherapie (ECT). Oftewel elektroshocks, zoals ze in de volksmond heten. Als psychiater pleit ze ervoor om de behandeling vaker en eerder in te zetten vanwege de goede resultaten. Ook hield ze als hoogleraar haar intreerede aan de Universiteit Utrecht, waar ze onderzoek gaat doen naar de zorg voor mensen met bipolaire stoornis – voorheen manische depressiviteit.
Eenmaal in de schijnwerpers ligt hoogmoed op de loer. Loop je al naast je schoenen?
“Dat niet, en ik voel me ook niet beter dan anderen, maar ik ben wel trots op wat ik heb bereikt. Niet in m’n eentje trouwens, maar samen met het team dat ik als hoogleraar aanvoer. Dat hoogmoed in zo’n positie op de loer ligt, heb ik al gemerkt. Ik krijg meer complimenten, anderen luisteren beter naar wat ik zeg, en lachen meer om m’n grapjes. Ook als ik niet ontzettend grappig ben.”
Op sociale media laat iedereen vooral het beste van zichzelf zien. Maak je je weleens zorgen om de hoogmoed of het ‘narcisme’ in onze samenleving?
“Mensen zijn denk ik meer bezig met uiterlijk vertoon en schijn dan vroeger, maar ook weer niet iedereen. Meer zorgen maak ik me om de hoogmoed die voortvloeit uit white privilege, uit de bevoorrechte positie die je als witte westerling in onze samenleving geniet. Als je je daar niet van bewust bent, kun je gaan geloven dat je bijzondere kwaliteiten bezit en dat je superieur bent aan anderen. Terwijl het grote verschil is dat jij de kansen hebt gekregen en de anderen niet.”
Hebben, hebben, hebben: wanneer viel je voor het laatst ten prooi aan hebzucht?
“Ik geef veel geld uit aan kleding, terwijl mijn kast uitpuilt. Materialistisch ben ik verder helemaal niet. Ik rij een Volvo uit de jaren negentig, ga met het ov naar werk, en heb een iPhone die ik niet meer kan updaten. Wel vind ik mezelf hebberig in de doelen die ik wil verwezenlijken. Als het ene doel is behaald, richt ik me alweer op het volgende. Ik sta nauwelijks stil bij het succes en geniet daar te weinig van.”
We zijn met z’n allen rijker geworden en wellicht materialistischer. Gaat dat dan ten koste van de geest, van onze binnenwereld? Zijn dat communicerende vaten?
“Dat denk ik wel. Hoe meer aandacht je schenkt aan je sportauto, je huis of je aandelen, hoe meer je wegdrijft van je eigen kern, je waarden, de beleving. Als mensen nog maar kort te leven hebben, verschuift het accent vaak naar hun eigen leven, naar wat ze echt belangrijk vinden, naar het emotionele contact met familie en vrienden.”
Afgunst of naastenliefde?
“Ik zit dichter bij de naastenliefde, en heb ook oog voor het individu. Net als een voetbaltrainer vraag ik me af hoe ik collega’s in het team het beste kan opstellen. De een verdedigt beter, de ander scoort vaker. Hoe komen mensen het best tot hun recht?
“Zo heb ik ook onze twee jongens opgevoed, die nu 21 en 23 zijn. Met oog voor wie ze zijn en wat ze nodig hebben. De een is temperamentvoller dan de ander, en werd als een lastig kind gezien. Als moeder probeer je dat temperament dan enigszins te kanaliseren.”
Breng je ook weleens een kom soep naar de buurvrouw?
“Nee, en dat klinkt misschien vreemd voor een arts, maar ik ben niet zo verzorgend. Niet op die manier. Ik reik liever tools aan, waarmee de ander daarna op eigen benen verder kan. In de psychiatrie noemen we dat het bevorderen van autonomie. Uit die kom soep voor de buurvrouw haal ik geen voldoening. Ook omdat ik niet kan koken. Dat doet mijn man altijd. Hij is verzorgend op de klassieke manier.”
Terug naar de zondes: ben je weleens woedend?
“Ik ben nooit out of control, maar ik kan wel echt boos worden. Vooral op oude witte mannen.”
Vertel.
“Van die zelfingenomen mannen van een zekere generatie, die de gevestigde orde vertegenwoordigen. En die dan bijvoorbeeld na een lezing de hand opsteken en dan geen vraag stellen maar een eigen verhaal houden. Superirritant, en dat kan ik maar moeilijk verbergen. Met een venijnige grap zet ik ze dan op hun nummer.”
Je bent niet bang om vijanden te maken.
“Ik heb lang geleden het boek Chimpanseepolitiek gelezen van primatoloog Frans de Waal. Daarin beschrijft hij een ruzie tussen twee mannetjes, waarvan de hele groep last heeft. Als het uit de hand loopt, valt de groep die twee mannetjes aan, onder aanvoering van de oudste vrouwen. En ik denk altijd: dat is nu mijn rol. Opkomen voor de groep, soms door de confrontatie aan te gaan met oude witte mannen, als die zichzelf belangrijker maken dan ze zijn.”
Op welk vlak kun jij je zelf moeilijk beheersen?
“Ik ben echt heel gedisciplineerd. Gulzigheid of luiheid zijn hoofdzonden, die ver van me af staan. Zodra ik me iets voorneem, op mijn werk of thuis met yoga of hardlopen, dan doe ik het. Ik stel nooit iets uit. Dat heeft voordelen, mede daarom ben ik zo ver gekomen. Maar het gaat ook ten koste van mezelf. Ik vraag me dan niet af waar ik behoefte aan heb.”
Komt in de buurt van dwangmatig gedrag.
“Ja, manisch kun je het ook noemen. Of een hyperfocus, zoals je soms bij mensen met ADHD ziet. Als je eigenschappen uitvergroot, worden ze altijd psychiatrisch, uitersten van normaal gedrag. Ik vind het nooit moeilijk om me te verplaatsen in patiënten. Wat zij meemaken, lijkt op mijn eigen ervaringen, in mildere vorm. Met patiënten voel ik daardoor al snel compassie en een connectie.
“In mijn oratie pleit ik voor de moed om te erkennen dat we niet zo anders zijn dan mensen met psychiatrische klachten. Dat we allemaal koorddansers zijn, steeds op zoek naar de balans in wat we doen en hoe we naar onszelf kijken. Maar dat het koord voor patiënten een stuk dunner en slapper is.”
