Individuele Inkomenstoeslag: Minima in Amsterdam krijgen 85 euro extra steun, een paar kilometer verderop is het 1.050 euro

pockets, empty, jeans, no money, poverty, no money, no money, no money, no money, no money, poverty
Photo by schuldnerhilfe on Pixabay

Mensen met een zeer laag inkomen ontvangen in de ene gemeente meer financiële steun dan in de andere. Dat kan honderden euro’s per maand verschil maken. ‘Bestaanszekerheid mag niet postcodeafhankelijk zijn.’

Diemen keert qua Inkomenstoeslag een van de hoogste bedragen in Nederland uit, grote buur Amsterdam juist de op een na laagste. Dit blijkt uit een inventarisatie van het Instituut voor Publieke Economie die vandaag wordt gepubliceerd. Het instituut heeft – voor het eerst – van vrijwel alle Nederlandse gemeenten de hoogte van de Individuele Inkomenstoeslag op een rij gezet.

Wat blijkt: het kan honderden euro’s schelen in welke gemeente iemand woont. Tussen buurgemeenten zitten vaak enorme verschillen. In Almelo bijvoorbeeld krijgt een stel met kinderen met een inkomen op bijstandsniveau dit jaar 115 euro toeslag. In buurgemeente Twenterand krijgt eenzelfde gezin 900 euro, een verschil van 785 euro in één jaar. In De Bilt krijgt een alleenstaande ouder jaarlijks 694 euro meer dan in buurgemeente Utrecht. In gemeenten met een lage Individuele Inkomenstoeslag zijn andere regelingen voor minima soms wat ruimer, maar er blijven grote verschillen bestaan. In Haarlem komt een huishouden met alle regelingen bij elkaar uit op 343 euro aan toeslagen in de maand, in Alphen aan den Rijn krijgt eenzelfde huishouden 89 euro per maand.

‘De onderlinge verschillen zijn nog groter dan wij vooraf dachten’, zegt onderzoeker Jasper J. van Dijk van het Instituut voor Publieke Economie. Het instituut omschrijft zichzelf als een denktank, opgericht door voormalig ambtenaren, die op eigen initiatief vraagstukken onderzoekt. Het doel is het publieke debat te verdiepen.

Godfried Engbersen, voorzitter Commissie Sociaal Minimum (2023)

Doolhof

De kritiek op het uiteenlopende gemeentelijk armoedebeleid werd drie jaar geleden aangezwengeld door de Commissie Sociaal Minimum. Die onderzocht of het in Nederland vastgestelde bestaansminimum ook echt voldoende was om van te leven, en of het stelsel eromheen met landelijke en gemeentelijke toeslagen de minima de beloofde bestaanszekerheid bood.

De voorzitter van de commissie, hoogleraar sociologie Godfried Engbersen, beschreef toen hoe veel burgers verdwaalden in een doolhof van landelijke en lokale regelingen. Veel minima bleken niet te weten waar ze recht op hadden en hoe ze dat geld vervolgens moesten aanvragen uit allerlei verschillende potjes. Zijn aanbeveling was helder: minima moeten gelijk behandeld worden, ongeacht hun woonplaats, want de huidige verschillen zijn onrechtvaardig.

Sindsdien heeft de overheid geen concrete stappen gezet om de lokale verschillen te verkleinen, ziet Engbersen. Daarom is hij blij met het verdiepende onderzoek van het Instituut voor Publieke Economie. ‘Bestaanszekerheid mag niet postcodeafhankelijk zijn’, zegt de hoogleraar.

De onderlinge verschillen tussen gemeenten zijn steeds groter geworden sinds zij in 2015 meer verantwoordelijkheden hebben gekregen. Gemeenten kennen allemaal hun eigen armoederegelingen. Die lopen uiteen van bijvoorbeeld het kwijtschelden van gemeentelijke lasten tot het gratis verstrekken van laptops aan schoolgaande kinderen.

De Individuele Inkomenstoeslag bestaat in alle gemeenten. Hij is bedoeld als een extraatje voor inwoners die langdurig moeten rondkomen van een (bijstands)uitkering of van een inkomen uit werk dat nauwelijks boven dat bedrag uitkomt, en die nauwelijks zicht hebben op verbetering. Vandaar dat deze zich leent voor een vergelijkend onderzoek.

En wat blijkt: niet alleen de bedragen verschillen aanzienlijk per gemeente. Ook de definitie van wat langdurig is (van één tot vijf jaar) of wat een minimuminkomen is verschilt. In sommige gemeenten is de toeslag alleen voor inwoners op bijstandsniveau (1.401,50 euro voor een alleenstaande), in andere geldt de toeslag tot 150 procent van de bijstand.

Stadspas

Nu de uiteenlopende bedragen zwart op wit staan, is het volgens onderzoeker Van Dijk alleen maar duidelijker dat het lokale armoedebeleid ‘eerlijker en eenvoudiger’ moet. Bijvoorbeeld door deze inkomenstoeslag landelijk en dus uniform te verstrekken. ‘Dat je rechten een paar honderd meter verderop heel anders kunnen zijn, is niet uit te leggen.’ Dat schaadt volgens hem het vertrouwen van burgers in de overheid. Bovendien weten veel inwoners helemaal niet waar ze recht op hebben en vinden ze de aanvraagprocedures te ingewikkeld.

Uit onderzoeken van budgetinstituut Nibud en het Centrum voor Lokaal Bestuur blijkt dat de politieke kleur van een gemeentebestuur lang niet de enige factor is, aldus Van Dijk. Hij heeft zelf geen onderzoek gedaan naar een verklaring van de verschillen, maar een aantal zaken viel hem wel op. Zo zit de ene gemeente beter bij kas of wonen in een andere gemeente procentueel meer bijstandsgerechtigden. Sommige gemeenten betogen dat hun langdurigheidstoeslag bewust laag is, omdat ze al veel andere minimaregelingen hebben.

Aangrenzende gemeenten kunnen bovendien volledig anders zijn in omvang en organisatie, zoals Diemen (33 duizend inwoners, tweeduizend minima) en Amsterdam (943 duizend inwoners, 71 duizend huishoudens op minimumniveau). Amsterdam kiest voor een uitgebreidere Stadspas, Diemen voor een hogere toelage.

error: