Ideeën voor een nieuwe glorietijd voor de volkshuisvesting van vertrekkende rijksbouwmeester

Rijksbouwmeester Francesco Veenstra zwaait na vijf jaar af met flink wat plannen voor de Nederlandse woningbouw. Die moet betaalbaar zijn én bijdragen aan sociale weerbaarheid. ‘Krachtig optreden in de volkshuisvesting levert niet alleen woningen op, maar ook meer welzijn en welvaart.’
‘We moeten af van het idee dat we aan het eind van ons leven nog geld over moeten hebben. Net als van de gedachte dat je met eigenwoningbezit een fortuin kunt opbouwen.
Soms ziet rijksbouwmeester Francesco Veenstra het probleem van de Nederlandse woningmarkt dicht bij huis. Althans een van de problemen: die van de ruim behuisde, honkvaste Nederlander, die maar niet wil verhuizen naar een kleinere woning om plaats te maken voor bijvoorbeeld een jong gezin. Zijn eigen moeder woont nog alleen in zijn ouderlijk huis, een eengezinswoning aan de rand van het centrum van Leeuwarden.
Niet gek dat ze daar wil blijven wonen, vindt hij. Want ze woont daar al vijftig jaar. Bovendien is ze bang dat ze voor een volgende woning meer moet gaan betalen. Over dat laatste zou zijn moeder zich eigenlijk geen zorgen moeten maken, vindt de 53-jarige architect en oud-voorzitter van de Koninklijke Bond van Nederlandse Architectenbureaus (BNA). ‘We moeten af van het idee dat we aan het eind van ons leven nog geld over moeten hebben. Net als van de gedachte dat je met eigenwoningbezit een fortuin kunt opbouwen. Zorg voor een goed aanbod in middenhuur, bijvoorbeeld door de wooncorporaties. Ook al zullen mensen voor de huur hun vermogen moeten aanspreken.’
De architect neemt in september afscheid als rijksbouwmeester, de prestigieuze post als adviseur van de regering op het gebied van woningbouw, ruimtelijke ordening en vastgoed van de staat. Dat doet hij met zijn rapport Thuis in de toekomst onder de arm, dat hij schreef met zijn mede-rijksadviseurs Noël van Dooren en Thijs van Spaandonk.
‘Als de overheid de bouwproductie na het begin van de financiële crisis vanaf 2008 op gang had gehouden, dan hadden we er nu 200 duizend woningen bij gehad.’
Vakblad De Architect merkt op dat er achter ‘de zachte toon van het rapport’ een ‘radicale woonagenda’ schuilgaat. Er staan adviezen in over hoe, wat en waar er gebouwd moet worden én stevige voorstellen voor hervorming van de financiële structuur van de woningmarkt en het grondbeleid. Maar volgens Friso de Zeeuw, emeritus-hoogleraar gebiedsontwikkeling aan de TU Delft, gaat de rijksbouwmeester daarmee buiten zijn boekje. ‘Hij bemoeit zich ongevraagd met van alles en nog wat’, zo schreef hij op Linkedin.
Het ambt van rijksbouwmeester ontstond ruim tweehonderd jaar geleden. Als adviseur van de regering moet hij juist groot denken, vindt Veenstra zelf. Zeker omdat de uitdagingen in de woningbouw complexer zijn dan ooit, nu heel Nederland op de schop gaat voor verduurzaming en klimaatbestendigheid. Het risico dat we maar wat aanrommelen is groot. Dat kan leiden tot de probleemwijken van de toekomst.
Zijn pleidooi is inderdaad geen eenvoudige instructie om het woningtekort zo snel mogelijk in te lopen. Het gaat Veenstra ook om ánders denken, voorbij de ‘ik-samenleving’. Met een nieuwe generatie betaalbare, flexibele en klimaatneutrale woningen. Met nieuwe woongemeenschappen, die bijdragen aan gezondheid, zelfredzaamheid en sociale weerbaarheid. En met voldoende plek voor de mensen die nu nog vaak niet worden gehoord, van spoedzoekers tot daklozen. Een nieuwe glorietijd voor de Nederlandse volkshuisvesting dus.
‘Kopen en huren moeten gelijkwaardige woonvormen worden, zonder dat de ene groep vermogen opbouwt en de andere structureel achterblijft. ‘
Hoe lossen we de woningcrisis op?
‘Er is geen quick fix’, zegt Veenstra in een vergaderkamertje op het ministerie van Financiën in Den Haag. ‘De nadruk ligt nu nog vooral op véél en snel bouwen. De inzet op versnelling, schaalvergroting en meer industriële bouw is op zich goed. Dat geldt ook voor de versterking van de regie van de rijksoverheid. De geschiedenis laat zien wat krachtig overheidsbeleid in de volkshuisvesting kan brengen: niet alleen meer woningen, maar bovenal welzijn en welvaart.
‘Een krachtige overheid kan bovendien voorkomen dat de woningbouw stilvalt als het even tegenzit. Als de overheid de bouwproductie na het begin van de financiële crisis vanaf 2008 op gang had gehouden, dan hadden we er nu 200 duizend woningen bij gehad.
‘De wooncrisis van vandaag gaat vooral over rechtvaardige verdeling. Miljoenen Nederlanders wonen fijn en betaalbaar. Daar staan veel woningzoekenden tegenover, mensen die te klein, te duur of onveilig wonen. Of die helemaal geen woning kunnen vinden.
‘Het is niet radicaal om te denken dat we dat rechtvaardiger kunnen regelen, en beter voor iedereen. Een slechte woonsituatie kan ten koste gaan van gezondheid, ook mentaal. En ten koste van scholing, werk of andere manieren om mee te doen in de maatschappij. En dat heeft uiteindelijk een negatieve impact op de hele samenleving. Iedere investering in goede woningbouw heeft dus grote maatschappelijke meerwaarde.’
Hoe bereiken we dat?
‘Kopen en huren moeten gelijkwaardige woonvormen worden, zonder dat de ene groep vermogen opbouwt en de andere structureel achterblijft. Voorkom verdere opdrijving van de huizenprijzen door het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek, beperking van de leenruimte en de vrijstelling van starters van de overdrachtsbelasting. Verhoog de belasting op woningbezit, zeker op bezit van twee of meer woningen.
‘Belast de waardestijging van grond als die beschikbaar komt voor woningbouw. Introduceer een heffing op de waardestijging van woningen, als die waardesprong te danken is aan de investering van publiek geld in de buurt, zoals de bouw van een goed station.Woningbouw en schoonheid moeten weer samengaan, schrijft u ook.
‘Schoonheid is meer dan esthetiek. Het geeft identiteit aan een woonplek. Gebruikers zullen zich veel meer hechten aan hun buurt. En het voegt ook financiële waarde toe. Mooie gebouwen worden gekoesterd, ook op de lange termijn.
‘Goed, vernieuwend ontwerp kan ook nog eens duurzaam zijn. Niet alleen door klimaatneutrale bouw en gebruik. Maar bijvoorbeeld ook door een flexibele indeling van die nieuwe huizen. Mensen kunnen hun woning dan makkelijker aanpassen, bijvoorbeeld om thuis te werken of met de komst van een kind.’
Wat vindt u van de blokjes met flexwoningen?
‘Voor flexwoningen geldt voor mij hetzelfde als voor industrieel geproduceerde woningen. Ik ben geen tegenstander van herhaling in de woningbouw. Maar laat de plaatsing wel begeleiden door een goede architect. Laat bijvoorbeeld op de kop van een rij flexwoningen ruimte voor een bijzondere variatie. Besteed aandacht aan hoe die flexwoningen landen op hun plek, zodat een echte buurt ontstaat, met plek voor ontmoeting en speelruimte voor de kinderen.
‘Nederland heeft een grote architectuurtraditie en misschien wel de beste bouwbedrijven ter wereld. Alleen zijn die bedrijven vaak vooral gericht op innovatie en optimalisatie van het bouwproces. Met ruimtelijke kwaliteit zijn ze minder bezig. Dat kun je ondervangen door een vaste plek voor architecten en stedenbouwkundigen in de bouwteams.’
Wordt woningbouw zo duurder?
‘Goed en mooi bouwen is niet per se iets anders dan zo snel mogelijk zo veel mogelijk woningen bouwen. Een gezamenlijke definitie van kwaliteit creëert goede samenwerking, van opdrachtgever en architect tot bouwbedrijf en omwonenden. Dan verloopt de bouw ook sneller, zonder bezwaarprocedures, vaker binnen budget én met hoge ruimtelijke kwaliteit. Daar geloof ik heilig in.
‘Je versnelt dus door overeenstemming over echte woonkwaliteit. Dat is best een opgave in een tijd van verharding van politieke standpunten, waarin ik werk met de vierde minister in vijf jaar tijd. Idealiter loop je natuurlijk enigszins gelijk op met een minister.
‘Uiteindelijk wil je ver vooruit kijken, wat mij betreft naar een rechtvaardiger samenleving, naar een land dat meer rekening houdt met de natuur, met respect voor de bodem en het watersysteem, met een bouwsector die biobased en natuurinclusief kan bouwen.’
‘Woningcorporaties moeten veel meer financiële ruimte krijgen, door het afschaffen van de verhuurderheffing en vrijstelling van de vennootschapsbelasting.’
Wat brengt zo’n rechtvaardige woonwereld nog meer?
‘Een goede woonwijk is de basis van een weerbare samenleving. Er wordt nu gehamerd op weerbaarheid in termen van defensie en wapensystemen. Maar het gaat ook om een weerbare samenleving, met wijken waarin mensen elkaar kennen en helpen.
‘Goede huisvesting is geen kwestie meer voor slechts één ministerie, denk ik. Het is een zaak voor het hele kabinet en alle departementen. Want investeren in een goede leefomgeving betaalt zich uit op tal van terreinen. Gelukkig staat de echte waarde van wonen en ruimtelijke ordening wel veel meer op de agenda dan vijf jaar geleden.
‘Woningcorporaties moeten veel meer financiële ruimte krijgen, door het afschaffen van de verhuurderheffing en vrijstelling van de vennootschapsbelasting. Denk ook aan eenmaatschappelijk investeringsfonds voor gebiedsontwikkelingen, waarbij publieke en private partijen samenwerken. En als eerste zou ik investeren in meer ambtenaren met kennis van woningbouw, stedelijke ontwikkeling en ruimetelijke ordening. Dan kunnen heel veel bouwprojecten veel sneller van start.’
Bent u als rijksbouwmeester ook een andere architect geworden?
‘Vooral de samenwerking met landschapsarchitecten heeft mij veel gebracht. Door hen ben ik nog dieper doordrongen van onze plek in een kwetsbare delta. We kunnen strijden wat we willen met onze dijken en waterwerken, maar ergens ligt een grens. We moeten onze ingenieurskunst veel beter verbinden met de natuur.
‘Dat betekent dan soms een bouwstop op de ene plek en nieuwe oplossingen op de andere. Denk bijvoorbeeld aan drijvende woningen. Met de kracht van verbeelding zijn we tot heel veel in staat. Begin september spreek ik mijn afscheidsrede uit, met de titel ‘Anders denken’. Daarna ga ik twee maanden op reis, door Italië, om mij te bezinnen op het vervolg.’