Oud-minister Jan Pronk vindt het huidige ontwikkelingsbeleid pervers: ‘We zijn bezig met: hoe kunnen wij eraan verdienen?’

Miljarden euro’s gingen er naar ontwikkelingssamenwerking de afgelopen decennia. Heeft dat gewerkt? Jan Pronk, als minister decennialang een van de gezichten van dat beleid, zet vraagtekens bij zijn eigen nalatenschap. ‘De ongelijkheid is niet afgenomen.’

Voor de ramen van het huis van oud-minister Jan Pronk hangt een poster met een vredesduif en een andere met ‘Stop niet met praten over Palestina’. Sommige mensen worden pas activistisch als ze met pensioen gaan, maar de 86-jarige Pronk was dat eigenlijk altijd al.
Hij wijdde zijn carrière aan één idee: dat rijke landen armere landen moeten helpen zich te ontwikkelen. Als minister van Ontwikkelingssamenwerking in drie kabinetten, en later als bijzonder VN-gezant,was hij betrokken bij de conflicten in Ethiopië, Somalië, Eritrea en Soedan. Onder zijn ministerschap haalde Nederland in 1975 voor het eerst de internationale Oeso-norm, die voorschrijft dat landen 0,7 procent van het nationale inkomen aan ontwikkelingssamenwerking besteden.
We zijn bezig met: hoe kunnen wij eraan verdienen?
Das war einmal. Het nieuwe kabinet gaat het extra geld voor ontwikkelingssamenwerking – dat is vrijgekomen door teruggedraaidebezuinigingen – gebruiken voor de opvang van asielzoekers in Nederland. Het mondiale Zuiden trekt aan het kortste eind. Ook andere westerse landen, zoals Amerika, snijden dramatisch in hun hulpbudgetten. Volgens een nieuwe studie van het Barcelona Institute for Global Health (ISGlobal) zullen er tot 2030 ongeveer 22,6 miljoen mensen extra sterven als de huidige bezuinigingen aanhouden en de hulp wegvalt.
Westers superioriteitsgevoel
Tegelijkertijd krijgt het systeem van internationale hulp al jarenlang kritiek. Zo zou het landen afhankelijk hebben gemaakt en corruptie in de hand werken. Het zou bovendien opgezet zijn vanuit een westers superioriteitsgevoel en westerse waarden uitdragen.
Heeft ontwikkelingshulp aan die nieuwe problemen bijgedragen? Zuid-Soedan is voor een kwart van het nationaal inkomen afhankelijk van hulpgelden én een van de meest corrupte landen ter wereld.
“Pertinent. Dat is het gevolg van de focus op westerse belangen: economische relaties, investeringen, handel, mijnbouw en dergelijke. Als je bezig bent met handel, dan praat je met groeperingen die kunnen kopen. Dat is dus al de middenklasse. Dan vergeet je de onderkant en versterk je de bovenkant, en creëer je ongelijkheid.
“Daarom is het huidige ontwikkelingsbeleid pervers. We zijn nu in wezen bezig met ontwikkelingshulp te gebruiken voor onszelf, en niet meer om arme vrouwen in andere landen te helpen. We zijn bezig met: hoe kunnen wij eraan verdienen? Maar dan kun je beter stoppen met hulp geven, want het leidt alleen maar tot grotere problemen in het desbetreffende land. Noodhulp waarbij je direct slachtoffers helpt is trouwens iets anders.”
Je mag niet wegkijken; dat is ethiek. En als je wegkijkt, is dat op de langere termijn niet eens in je eigen belang; dat is ratio
Maar ook noodhulp valt soms in verkeerde handen.
“Humanitaire hulp kan worden misbruikt, ja. Niet altijd, maar het gebeurt. En dan sta je voor een dilemma. In de jaren zestig ging het ook al over corruptie. Als de helft van de hulp die je geeft bij de verkeerde mensen terechtkomt, wat doe je dan? Nou, zeiden heel veel mensen, dan moet je stoppen. Mijn antwoord was: dan moet je verdubbelen.”
Loop je dan niet het risico het conflict te verlengen?
“Het is niet zwart-wit. Je zult nooit alleen maar moeten mikken op humanitaire hulp. Je zult moeten zorgen dat die strijd ophoudt. Als je nu alleen maar humanitaire hulp geeft aan mensen in Gaza, maar je zegt niet tegen Israël dat ze moeten ophouden met bombarderen, dan ben je verkeerd bezig. Als je niet de oorzaken van ongelijkheid of van geweld aanpakt, heeft het geen zin.”
Een steeds grotere kloof tussen arm en rijk is ook niet in het belang van het westen, want het voedt conflict
U schrijft: ‘Dat het zin heeft te proberen tegenstellingen te overbruggen en slachtoffers te helpen staat voor mij vast. Het is een moreel imperatief.’ Staat daarin centraal wat het beste is voor slachtoffers, of gaat het ook om uw eigen genoegdoening, het gevoel dat u goed bezig bent?
“Ik vind daar niet zo’n groot verschil tussen zitten. Je mag niet wegkijken; dat is ethiek. En als je wegkijkt, is dat op de langere termijn niet eens in je eigen belang; dat is ratio. Maar je mag niet wegkijken. Je noemt genoegdoening, dat vind ik geen mooi woord. Zingeving, zou je ook kunnen zeggen. Jouw leven heeft zin omdat je samenleeft met anderen, en je op een bevredigende manier voor jou en voor anderen deel uitmaakt van de samenleving.
“Maar dat is óók iets rationeels, niet alleen maar moreel. Een steeds grotere kloof tussen arm en rijk is ook niet in het belang van het westen, want het voedt conflict. Maar uiteindelijk gaat het om een ethisch principe: solidariteit.”