Vrede, niet oorlog, vraagt om moed

Oorlog is onze realiteit geworden, schrijft Hans Stegeman. En de prijs daarvoor is hoog. Zolang leiders niet de moed hebben om vrede te sluiten, betalen burgers de rekening.
We leven in een tijd van oorlog. Gaza. Oekraïne. Soedan. En nu Iran. Terwijl ik dit schrijf, vallen bommen op Teheran en doelen in de regio. Zoals altijd zijn het burgers die de rekening betalen van leiders die voor strijd kiezen. De Straat van Hormuz, waardoor een vijfde van de wereldwijde oliehandel gaat, is gesloten. Een oorlogseconomie is onze realiteit.
En die realiteit is verwoestend duur. Een recente studie over 150 jaar oorlog in zestig landen maakt de rekening op: een gemiddelde oorlog kost het getroffen land bijna tien procent van het bbp, jaagt de inflatie met twintig procent omhoog en wist een kwart van de aandelenwaarde uit. Herstel duurt gemiddeld twaalf jaar. Een kind dat vandaag wordt geboren, zit op de middelbare school als de Iraanse economie weer op het niveau van vorige week is. En de schade stopt niet aan de grens. Landen die economisch verweven zijn met een oorlogsgebied zien hun bbp ook dalen.
Oorlog blijkt ieders probleem. We betalen allemaal mee.
Het gaat om meer dan de kosten van het vechten zelf. Want terwijl de bommen vallen, gaat er ook astronomisch veel geld in het voorkómen van de volgende oorlog. Dat is tenminste wat we onszelf wijsmaken. Wereldwijd gaven landen in 2025 meer dan 2,6 biljoen dollar uit aan defensie, het hoogste niveau sinds de Koude Oorlog. De redenering is bekend: wie sterk genoeg is, schrikt de vijand af. Si vis pacem, para bellum. Wie vrede wil, bereidt zich voor op oorlog.
Defensie is noodzakelijk in een wereld met autocraten, maar noodzaak is geen vrijbrief voor escalatie. Het probleem is dat afschrikking zelden stabiel blijft. Elke stap in een bewapeningsspiraal, meer wapens, meer allianties, meer dreigingstaal, vergroot empirisch de kans op escalatie. Vredeswetenschappers noemen dat de steps-to-war: hoe meer staten investeren in militaire macht als antwoord op een conflict, hoe groter de kans dat dat conflict uitmondt in oorlog. Wapens worden gebouwd om gebruikt te worden.
Dus wat werkt dan wél? De geschiedenis geeft verrassend saaie antwoorden. Economische vervlechting. Verificatie. Uitwisseling. Diplomatie.
En de Duits-Franse jeugduitwisseling, opgericht in 1963, heeft acht miljoen jongeren over en weer gestuurd. Acht miljoen mensen die leerden dat de vroegere vijand een mens is, met dezelfde angsten en dezelfde ambities. De ruggengraat van de Frans-Duitse as. Voor minder dan wat Rheinmetall in één kwartaal aan winst boekt.
Oorlog vergt geen moed. Oorlog vergt volgzaamheid en budget. Vrede vergt moed. De moed om te onderhandelen als de stemming op oorlog staat, om verbinding te zoeken waar vijanddenken wordt verwacht, om te investeren in iets wat je pas over tien jaar terugziet in de statistieken en niet morgen op de voorpagina. Zolang leiders die moed niet hebben, betalen burgers de rekening.