Het woningtekort is nijpend, net als in de jaren zeventig. Wat kunnen we nu leren van de ‘bloemkoolwijken’ van toen?

OpenStreetMap contributors, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons

De bloemkool- of woonerfwijken waarmee groeisteden als Zoetermeer groot werden, staan bekend als ‘truttige’ verdwaalbuurten. De buurten herbergen echter talloze architectonische parels, weet architectuurhistoricus Michelle Provoost. En: in het kader van de huidige woningbouwopgave valt er van de bloemkoolwijk best wat op te steken.

Woningnood. De Rotterdamse Irma Schwartz-Kerstens (69) weet nog hoe groot die in 1978 was. Veel jongeren woonden bij hun ouders op zolder, zij en haar man Henk, pasgetrouwd, bivakkeerden in een piepklein flatje in de naoorlogse wijk Hoogvliet. Op zoek naar een gezinswoning belandden ze in Capelle aan den IJssel, een groeikern, zoals door de overheid aangewezen uitbreidingsgebieden bij de grote steden gedoopt werden. Daar verrees de Bergenbuurt, een zogenoemde bloemkoolwijk.

De naam verwijst naar de stedenbouwkundige plattegrond, die in zijn opzet, met vertakkingen van grote naar steeds kleinere, veelal gebogen straten, doet denken aan de structuur van een bloemkool.

Capelle – Bergenbuurt Michiel1972, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons

‘Het oogde heel apart’, zegt Schwartz-Kerstens over de twaalf achthoekige woonhoven, opgebouwd uit vierlaagse appartementenblokken van felrode baksteen. Ze waren enthousiast over de ruime woningen en collectieve woonstraten op de eerste verdieping, met daaronder weelderig beplante parkeergarages.

Het stel woont ‘nog steeds hartstikke fijn’ in de Bergenbuurt, die in 2000 is gerenoveerd. Maar de winkels en woningen bij het op steenworp afstand gelegen metrostation De Terp ogen sleets, ze wachten op onderhoud en verduurzaming. Na vijftig jaar moet ook de riolering in de wijk vervangen worden. Op het plein bij de metro staat een bord met ‘verboden alcohol te drinken’.

Gigantische operatie

Deze kwesties spelen in alle Nederlandse groeikernen, van Hoofddorp tot Spijkenisse en Zoetermeer, waar in totaal 1 miljoen woningen staan. In hetzelfde hoge tempo waarin die destijds verrezen, moeten ze nu worden vernieuwd. Een gigantische operatie, en een mooie aanleiding om de bloemkoolwijken onder de loep te nemen. Wat kan en moet er veranderen, en: wat is juist de moeite waard om te behouden?

Over die vragen buigt architectuurhistoricus Michelle Provoost zich als directeur van het International New Town Institute (INTI), in 2006 opgericht in Almere. ‘Er bestaat een neiging om stukken stad die niet meer werken te slopen’, zegt Provoost. ‘Mede doordat groeikernen in de vakwereld weinig gewaardeerd worden. Bloemkoolwijken staan bekend als verdwaalbuurten, architect Carel Weeber bestempelde de architectuur met zijn talrijke hoekjes als truttig. Dat is blijven hangen.’

Vertegenwoordigers van de groeikernen stuurden vorig jaar een brief aan woonminister Mona Keijzer, waarin zij waarschuwden om, nu het kabinet op het punt staat om nieuwe grootschalige woonlocaties te bouwen, niet dezelfde fouten te maken als in het verleden. Zij wijzen op het gebrek aan voorzieningen en werkruimtes, waardoor bewoners ontmoetingsplekken missen en een gebrek aan sociaal contact ervaren.

Dat er weinig voorzieningen zijn, komt doordat de bouw van groeikernen vooral gericht was op extra woningen, maar ook door afbraak. Zo moest in 2001 in Zoetermeer het multifunctionele wijkcentrum Meerzicht wijken voor de bouw van een seniorenflat. Het glooiende bakstenen wijkcentrum was een van de eerste werken van architect Ton Alberts, die later met zijn compagnon Max van Huut in dezelfde bouwstijl het fameuze ING-hoofdkantoor ‘Het Zandkasteel’ in Amsterdam bouwde.