Zouden ze echt zo dom zijn bij de NS? Natuurlijk niet, dacht ik, en viel in een diepe slaap

SLT 2441 Van Woerden naar Utrecht” by Rob Dammers is licensed under CC BY 2.0

Er bestaan vragen waar ik uren op kan kauwen zonder ooit het antwoord te vinden, vooral als het buiten donker is en de slaapkamer broeierig. Meestal begint het met vragen over de dan geldende toestand in mijn leven. Bijvoorbeeld waarom in slaap vallen altijd zoveel moeilijker is dan simpelweg je ogen sluiten. Of waarom je vanaf je 30ste eigenlijk alleen nog maar ’s nachts droomt.

Daarna, als de moeheid niet wil komen, worden de vragen meestal wat maatschappelijker van aard.

Eenmaal op dat weinig verheffende punt aanbeland, besef ik een verloren strijd te voeren, waarna ik meestal mijn telefoon pak om alvast de krant van morgen te lezen, met als gevolg dat ik de rest van de nacht lig te tobben over de vraag waarom het te midden van al deze wanorde toch zo moeilijk is iemand te vinden die de dingen weer op de juiste plek weet te leggen.

Maar gisteravond gebeurde er op juist dat moment iets wonderlijks. Op de app van de Volkskrant las ik in het holst van de nacht namelijk een artikel over de Nederlandse Spoorwegen. Dat bedrijf lijdt al vijf jaar op rij een miljoenenverlies, het aantal vertraagde treinen nam vorig jaar toe, het aantal reizigers met zitplaats juist af en omdat de hoeveelheid geweldsincidenten tegen conducteurs sneller stijgt dan het salaris, is er ook al jaren een chronisch personeelstekort. Bovendien eist de Europese Commissie dat er meer concurrentie komt op het Nederlandse spoor, wat voor de NS een ramp betekent, omdat ze daar al jaren geen idee meer hebben hoe je klanten behaagt.

Om die lawine aan slecht nieuws te keren, zo las ik, speelt de NS-directie met de gedachte nog minder treinstellen in te zetten en die bovendien nog minder vaak te onderhouden. Ook overwegen ze niet alleen de jongerendagkaart af te schaffen maar ook de reguliere treinkaartjes volgend jaar nogmaals 9 procent duurder maken.

En bij die laatste regel gebeurde er dus iets wonderbaarlijks in mijn binnenste, want na al die uren tobben had ik eindelijk een vraag te pakken met daarop slechts één overduidelijk antwoord.