Moet de hele AOW uit algemene middelen worden betaald?

De AOW werd in 1957 door minister Ko Suurhoff van Sociale Zaken en premier Willem Drees ingevoerd. Het was de rots waarop de 20ste-eeuwse welvaartsstaat zou worden gebouwd. Tot dan toe was de armoede onder ouderen schrikbarend. Nu kregen ze een vaste uitkering op het moment dat ze op hun 65ste jaar achter de geraniums kropen. Zo konden ze uitblazen van een leven lang ploeteren.
Die uitkering bedroeg omgerekend 54 euro (voor een echtpaar) en 32,50 euro (voor een alleenstaande) per maand. Dat was ook in 1957 geen vetpot.
Mensen met de laagste inkomens betalen het grootste deel van de premies. Mensen met de hoogste vermogens strijken een te groot deel van de uitkeringen op.
In totaal kwamen er 740 duizend Nederlanders (nu 3,6 miljoen) voor in aanmerking. Heel lang zouden de meesten er niet van genieten, want mannen werden toen gemiddeld 71 jaar, en vrouwen 73.
Bijna zestig jaar later is de rots door de vergrijzing weggezakt in het drijfzand van de 21ste-eeuwse neoliberalisme. Mensen met de laagste inkomens betalen het grootste deel van de premies. Mensen met de hoogste vermogens strijken een te groot deel van de uitkeringen op.
Werkenden moeten 17,9 procent premie afdragen voor de AOW. Dat is een enorme hap uit hun inkomen. Het bizarre is dat de premie is gemaximaliseerd tot 5.664 euro. Iemand met een inkomen van 30 duizend euro betaalt in absolute bedragen evenveel als iemand met een inkomen van 300 duizend of 3 miljoen. Voor hen is de premie geen 17,9 procent, maar respectievelijk 1,79 en 0,179 procent. Het is een degressief stelsel.
Een flink deel van de AOW gaat naar een miljoen 67-plussers die het niet echt nodig hebben.
Het is nu de vraag of deze aftopping van de premieheffing niet opgeheven moet worden. Vroeger was als compensatie voor de degressieve heffing de inkomstenbelasting nog erg progressief, maar inmiddels is die voor de hoogste schijf ook teruggebracht van 72 naar 49,5 procent.
Ook over de uitkering kan worden geredetwist. Een flink deel van de AOW gaat naar een miljoen 67-plussers die het niet echt nodig hebben. Ze zijn gezegend met een riant pensioen, een hypotheekvrije woning en een goedgevulde spaar- of beleggingsrekening. Ze kopen er een camper of tweede huisje van of schenken het aan hun kinderen.
Zo was het niet bedoeld door Suurhoff en Drees.
Misschien zou het zaak zijn de premieheffing via het omslagstelsel helemaal af te schaffen en het volledige bedrag uit de algemene middelen te betalen met een gelijktijdige belastingverhoging. Dan dragen de sterkste schouders, ook die onder AOW’ers, meer bij aan de uitkeringen. Wat van de rots boven het drijfzand resteert, heeft een oppoetsbeurt nodig.