Het ‘reguleren’ van gebedsoproepen is een hernieuwde poging om uitingen van de islam uit de publieke ruimte te duwen

Toen de Staatkundig Gereformeerde Partij in andere tijden, zestien lange jaren geleden, een voorstel in het parlement indiende om meer ‘terughoudendheid’ te bevorderen ‘ten aanzien van opvallende schotelantennes, het laten horen van islamitische gebedsoproepen en het bouwen van grote moskeeën en minaretten’, dit alles om recht te doen aan ‘gevoelens van vervreemding en onbehagen onder veel autochtone Nederlanders’, werd dat kansloos weggestemd. […]
En nu hebben SGP en JA21 hem weer uit de sloot getakeld. Vorige week kondigden ze hun initiatiefwetsvoorstel voor het verbieden van versterkte gebedsoproepen aan. Dit keer geen ‘tsk’ en ‘discriminatie’. Er kwam een mediatour, de Kamerleden kregen welwillend gehoor, zeiden dat ze goede hoop hebben op grote steun.
Nu rechts-radicaal de bovenliggende partij is, maken ook de opvattingen van de SGP school. In Nederland profileert rechts-radicaal en rechts-conservatief zich doorgaans als seculier, soms zelfs antireligieus, maar tegelijk groeit het op diepe conservatief-christelijke wortels. Als het om blinde steun aan Israël gaat bijvoorbeeld. Als het om reproductieve rechten van vrouwen gaat, soms, of om de rechten van trans personen. En als het gaat om de afkeer van de islam, de ‘valse godsdienst’. Zo is een vies bondje ontstaan tussen christelijk-rechts en radicale vreemdelingenhaters.
Dit kabinet wil de gebedsoproepen ook aan banden leggen, althans in beginsel, althans heeft het in het hoofdlijnenakkoord een zinnetje opgenomen over het ‘reguleren’ van dit soort oproepen. Inzake dat ‘reguleren’ heeft de verantwoordelijke minister Uitermark (NSC) van Binnenlandse Zaken al terugtrekkende bewegingen gemaakt. Ze wil eerst ‘onderzoek’ doen naar hoe vaak en hoe luid en hoeveel klachten er zijn (van de 500 moskeeën doen zo’n 450 níét aan luidsprekers, het gaat om een paar handvol, er zijn lokale verordeningen over lawaai), en gaat dan nadenken of er misschien ‘betere regels’ nodig zijn.
Dat zal dus wel verzanden, net zoals het initiatiefwetsvoorstel vermoedelijk op talloze uitvoerings- en grondwettelijke bezwaren zal stuiten. Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat er weer veel kostbare tijd van de ambtenarij en het parlement zal gaan zitten in symboolwetgeving die als netto resultaat heeft dat een groep Nederlanders nog een stukje verder is gemarginaliseerd.