‘Collega’s die jaren aan het migratiedossier werkten, waren nooit bij een azc geweest’

‘De diplomatie biedt een prachtig carrièrepad, maar ik zag te weinig ruimte voor mijn idealisme’
Met een solovoorstelling in het verschiet is Djûke Stammeshaus inmiddels ver verwijderd van Brussel, waar ze als diplomaat opkwam voor de belangen van Nederland. Voor de stap naar het toneel betaalde ze wel een prijs.
‘Dit is theater’, denkt Djûke Stammeshaus, wanneer ze in 2017 namens Nederland plaatsneemt in een enorme cirkel in een Brusselse vergaderzaal, samen met collega’s uit 27 Europese landen. In haar collega-diplomaten ziet ze vertegenwoordigers van regeringsstandpunten, maar ook mensen met hun eigen motieven, meningen en dromen: ‘Op dat moment begon in mijn hoofd een musical te ontstaan.’
Een musical over migratie welteverstaan, ‘destijds al een hot topic, en dat is alleen maar meer geworden.’ Sindsdien is haar voornemen het grootst mogelijke podium te bereiken. ‘Van Brussel naar Broadway’, houdt ze zichzelf dagelijks voor. De titel heeft ze al: Borders. Ze schrikt niet terug voor een baantje in een theatercafé op weg naar het realiseren van die droom.[…]
In haar voorstelling toont ze diverse perspectieven op migratie zonder er een op te dringen. Met de titel wil ze zowel een links als rechts publiek aanspreken: ‘De antwoorden verschillen, maar hoeveel migranten we aankunnen, is voor zowel links als rechts een relevante vraag.’ Ook verwijst de titel naar ‘wat we we emotioneel aankunnen, kijkend naar hoe het er in de wereld aan toe gaat. Waar liggen onze grenzen?’
‘Collega’s die jaren aan het migratiedossier werkten, waren nooit bij een azc geweest’
Djûke Stammeshaus
Langs de lijnen van de familie van haar vader, een projectmanager die onder meer kunstbroedplaatsen opzet, kan ze zich ‘Duits, Joods, Indonesisch en Chinees’ noemen; van de kant van haar moeder, maker van geëngageerde documentaires, is ze Fries.
Van alle voorouders maakt vooral het verhaal van haar oma van vaderszijde indruk: ‘Zij was Joods, in de oorlog is ze als jong meisje zestien familieleden kwijtgeraakt. Toen ik 12 was, zei ze tegen me: ‘Ik wil je deelgenoot maken van mijn verdriet.’ Mijn gevoel voor rechtvaardigheid, de aandrang onrecht te willen bestrijden, heb ik van haar.’
‘Over mijn voorouders werd thuis veel gesproken, ook over de Indonesische kant van mijn familie. Mijn overgrootvader was een vooraanstaand man op Atjeh, hij is bij het Tropenmuseum in Amsterdam (het tegenwoordige Wereldmuseum, red.) gaan werken. Als migranten moesten hij en zijn gezin hier een nieuw bestaan opbouwen.