Verduurzaming van energie is puur eigenbelang, maar vraagt wel financiële offers

Energietransitie is niet alleen nodig om de opwarming van de aarde te stoppen, maar ook om zoveel mogelijk zelfvoorzienend te zijn, onafhankelijk van andere mogendheden.
Om het elektriciteitsnetwerk klaar te maken voor een duurzame toekomst is de komende vijftien jaar het astronomische bedrag van 200 miljard euro nodig. Dat is ongeveer 10 duizend euro per inwoner, huishoudens zullen hun energierekening onherroepelijk zien stijgen.
Op het eerste gezicht is dat veel geld, maar dat kost elke ingrijpende transformatie. Toen het Groninger gas werd ontdekt, investeerde Nederland in de jaren zestig fors in een landelijk netwerk van gasleidingen. Binnen vijf jaar was 80 procent van alle huizen aangesloten.
De voordelen voor de burger waren toen overduidelijk, gas was een enorme vooruitgang ten opzichte van de kolen waarmee veel Nederlanders zich tot op dat moment moesten behelpen – al was er toen ook een kolenlobby die betoogde dat de centrale verwarming nooit zou kunnen tippen aan de warmte die een kolenkachel verspreidt.
Nu zijn de voordelen voor veel Nederlanders minder evident. Voor wie elke maand moeilijk kan rondkomen, heeft het tegengaan van de opwarming van de aarde niet de hoogste prioriteit. Critici van de energietransitie mogen er graag op wijzen dat de Nederlandse bijdrage aan de oplossing van het wereldwijde klimaatprobleem per definitie zeer bescheiden is.
Tegelijkertijd is het onvermijdelijk. Nederland heeft niet alleen decennialang een vredesdividend geïncasseerd, doordat het na de Koude Oorlog ineens minder geld hoefde uit te geven aan Defensie, maar ook een gasdividend (de schatkist was dankzij de Groninger gasbel verzekerd van een stabiele inkomstenstroom, en gas was relatief goedkoop) én een CO2-dividend, waarbij de rekening van de uitstoot werd doorgeschoven naar toekomstige generaties. Deze drie dividenden vallen nu weg waardoor de Nederlandse burger ineens fors duurder uit is.
Om voldoende draagvlak te houden is veel politieke overtuigingskracht nodig. De energietransitie is nodig om de opwarming van de aarde te stoppen, maar ook – en dat argument wordt steeds belangrijker – om zoveel mogelijk zelfvoorzienend te zijn, om voor de energievoorziening niet afhankelijk te zijn van andere mogendheden. Niet van Rusland, maar eigenlijk ook niet van de VS, die steeds onberekenbaarder worden. De verduurzaming van de energie is dus puur eigenbelang.
Politici die deze boodschap verkondigen, hebben niettemin het tij tegen. Ondanks gunstige cijfers over de koopkrachtontwikkeling zijn veel politieke partijen van mening dat de krappe portemonnee het allergrootste probleem is in de Nederlandse samenleving. Populistische partijen gaan hierin voorop.
Hoewel financiële offers van de burgers onvermijdelijk zijn, is het ook verstandig als het kabinet nadenkt hoe het deze offers zo veel mogelijk kan beperken. De nieuwe geopolitieke werkelijkheid vraagt ook om een fundamenteel andere begroting, waarbij de rekening niet in zijn geheel naar de burger wordt doorgeschoven.
Duitsland overweegt voor soortgelijke investeringen de begrotingsregels op te rekken. Gezien de enorme investeringen die in de toekomst worden gedaan, is dat verdedigbaar. Nadeel is wel dat er zo extra geld in de economie wordt gepompt, waarmee de inflatie, die in Nederland al hoog is, wordt aangejaagd. Het kan daarom geen kwaad om ook te kijken naar andere overheidsuitgaven, om te beginnen naar het overheidsapparaat, de bureaucratie. Het is makkelijker om offers te vragen als de overheid ook in eigen vlees snijdt.