De vraag is niet: wilt u betaald parkeren? De vraag is: wat vindt u de belangrijkste doelen van een straat?’


© Brommelstroet
hoogleraar Urban Mobility Futures
Hoogleraar Urban Mobility Futures Marco te Brömmelstroet aan de Universiteit van Amsterdam, vindt dat de discussie over betaald parkeren niet moet gaan over kosten en verlies van privilege, zoals nu gebeurt in Rotterdam. „De échte vraag die voorligt is: wát vindt u belangrijk?”
Het Rotterdamse college gaat betaald parkeren uitbreiden naar bijna alle wijken. Het besluit zorgde voor veel weerstand, in de stad en in de gemeenteraad. In een fel debat in de raad werd een voorstel voor een referendum verworpen en kreeg de wethouder een motie van wantrouwen. Ook die haalde het niet.
Kijk, een straat is er niet alleen om je auto te parkeren, een straat heeft volgens de beleidsvisies van de gemeente Rotterdam vele doelen. En die passen niet allemaal in de beschikbare ruimte.
Mensen moeten er doorheen rijden, fietsen, wandelen, kuieren, kinderen willen er ruimte hebben om te spelen, je wil er misschien in de schaduw onder een boom zitten, de buurman spreken op een bankje, even een frisse neus halen.
Iedereen is tegen, lijkt het?
„Dat valt te bezien. Er is veel weerstand, luid protest. Maar we weten niet of dat iedereen, of zelfs een meerderheid is. Er kan heel goed sprake zijn van wat we in de wetenschap onder pluralistic ignorance meten: wijkbewoners die betaald parkeren helemaal niet zo erg vinden of er zelfs vóór zijn, denken in al het verbale geweld dat ze de enige zijn met die opvatting. Veel Rotterdammers hebben bijvoorbeeld géén auto. Hen hoor je niet in deze discussie.”
De lijst insprekers tegen betaald parkeren in de raad was eindeloos, er waren verschillende demonstraties…
„Natuurlijk. Mensen moeten gaan betalen voor iets wat tot dusver gratis was, dat geeft een vervelend gevoel: iets voelt als een verworven recht, waar ze afhankelijk van zijn geworden, en dat wordt ineens afgepakt.”
En oppositiepartij Leefbaar Rotterdam haalde tienduizend steunverklaringen op voor een referendum over betaald parkeren, dat het overigens niet haalde.
„Een referendum is een slecht middel als je wil weten wat wijkbewoners vinden. Ben je voor of tegen gratis bier? Je weet bij voorbaat het antwoord als je in een wijk vraagt of bewoners voor of tegen betaald parkeren zijn. In Katwijk werd een referendum met die vraag gehouden, vrijwel iedereen was tegen de invoering van betaald parkeren. Met een referendum organiseer je je eigen weerstand.”
Waarom? Het is toch de vraag die voorligt?
„De échte vraag die voorligt is: wat vindt u belangrijk? Kijk, een straat is er niet alleen om je auto te parkeren, een straat heeft volgens de beleidsvisies van de gemeente Rotterdam vele doelen. En die passen niet allemaal in de beschikbare ruimte. Mensen moeten er doorheen rijden, fietsen, wandelen, kuieren, kinderen willen er ruimte hebben om te spelen, je wil er misschien in de schaduw onder een boom zitten, de buurman spreken op een bankje, even een frisse neus halen. Als je aan wijkbewoners vraagt of ze de voor hen tien relevantste doelen op een rijtje willen zetten van belangrijkst naar minder belangrijk, binnen de beperkingen van de beschikbare ruimte, dan staat het parkeren van de auto ergens onderaan. Ook in Katwijk.”
Het helpt als er ook aandacht is voor de buurvrouw die geen astmamedicijnen meer nodig heeft. En voor de kinderen die gelukkiger zijn omdat ze veilig buiten kunnen spelen en weer zelfstandig naar school kunnen. En voor een hele straat die groener, koeler en prettiger is om te vertoeven.
Het college zegt: we vertellen het eerlijke verhaal. U moet gaan betalen voor parkeren, we hebben het geld nodig voor huizen, vergroening, duurzaamheid.
„Het is niet oneerlijk om daar óók bij te vertellen dat gratis parkeren eigenlijk heel vreemd is. Je zet je privé-eigendom gratis op straat en neemt zo publieke ruimte in die niet ergens anders voor gebruikt kan worden. Je mag je koelkast of je picknicktafel ook niet zomaar op straat zetten. Het aanbieden van de mogelijkheid om je auto in de publieke ruimte op te slaan, is niet gratis. De kosten van dit privilege worden door de hele gemeenschap gedragen. Die kosten van gratis parkeren nemen toe, het is op een gegeven moment niet meer te betalen.”
Je koelkast mocht je nooit op straat zetten, voor de auto was altijd een uitzondering.
„Nou altijd? Eigenlijk is die vrij nieuw. Pas in de jaren zestig is er een uitzondering gemaakt voor de auto. Joop den Uyl, premier in de jaren zeventig, vond dat elke arbeider een auto moest kunnen hebben, het zou de emancipatie van de arbeidersklasse ten goede komen. In enkele tientallen jaren werd het van een privilege tot een verworven recht. Het resultaat is, ik klink nu bijna als een VVD’er, een klassiek voorbeeld van marktverstoring. Autobezit werd aantrekkelijk gemaakt. In Japan bijvoorbeeld moet je zelf zorgen voor een plek voor je privébezit, je auto. Parkeren kan in de steden niet op straat. En parkeren kost geld. Er zijn hierdoor minder auto’s. De markt speelt daarop in met kleine auto’s. En ondernemers bieden parkeerplaatsen aan voor particulieren en bedrijven.”
Veel mensen hebben de auto nodig, ze kúnnen niet zonder.
„Dat is maar de vraag. Het beleid van de afgelopen decennia heeft mensen ook afhankelijk gemaakt. Voor lang niet elke autobezitter is een auto écht noodzakelijk. Een deel heeft een tweede of zelfs derde auto. Auto’s zijn ook steeds groter geworden. Een SUV in de stad, is dat nodig?”
„Een groot deel van de autoritten in de stad zijn korter dan drie kilometer. In 1950 reden Nederlanders gemiddeld drie kilometer per persoon per dag, tegenwoordig is dat 42 kilometer. De maatschappij is ingericht op het faciliteren van mobiliteit. Om goede redenen, zo konden mensen meer plekken bereiken. Inderdaad zijn zo sommige mensen en bedrijven afhankelijk geworden van de auto. Afstanden zijn gegroeid, ziekenhuizen en scholen zijn geclusterd en het openbaar vervoer is op veel plekken verschraald.”
Toch blijven er veel mensen die écht niet zonder auto kunnen.
„Zeker. Een loodgieter met een auto vol gereedschap, ouderen die slecht ter been zijn, mensen die in de nacht werken. De vraag is of het op lange termijn eerlijk is dat ze daarvoor gratis twaalf vierkante meter straat in beslag houden. Iemand zonder auto mag geen twaalf vierkante meter gebruiken voor de aanleg van een moestuin. Als we het systeem willen veranderen, moeten we wel goed zorgen dat iedereen daarin meekan. En dat er een goede oplossing komt voor mensen en bedrijven die nu afhankelijk zijn van de auto.”
Vindt u de boosheid vanwege de voorgenomen invoering van betaald parkeren onterecht?
„Ik begrijp het heel goed. Autogebruikers gaan iets verliezen. Een auto staat voor velen, mede dankzij miljarden aan reclames, symbool voor vrijheid, autonomie, en vooruitgang. Het is voor sommigen onderdeel van hun identiteit. Als je daaraan knabbelt, doet dat pijn. Maar het argument dat autogebruikers als melkkoe worden gebruikt, is onterecht. Voor elke euro die een autogebruiker betaalt, legt de maatschappij 4 euro bij. Een auto neemt zo’n twaalf vierkante meter publieke ruimte in beslag. Op die plek is geen ruimte voor iets anders. We hebben in Nederland tussen de 20 en 30 miljoen publieke parkeerplaatsen. Als we meer woningen willen bouwen, steden klimaatbestendig willen maken, ruimte willen voor parken en recreatie, dan is het noodzakelijk om geld te vragen voor de ruimte die auto’s innemen. Het is belangrijk om dat goed uit te leggen.”
Rotterdamse gemeentebestuurders noemen betaald parkeren een oplossing voor parkeerdruk, die in buitenwijken niet wordt gevoeld. En, stellen ze, er is geld nodig voor huizen en verduurzaming. Vindt u dat dom?
„Ik zou zeggen: onhandig. Ze benaderen het vraagstuk technocratisch, waardoor de nadruk ligt op wat mensen verliezen. Je kunt ook laten zien wat stadsbewoners te winnen hebben bij minder auto’s. Als we praten over mobiliteit gaat het vaak over richtlijnen en modellen. Voer een gesprek over de keuzes die we willen maken. Vraag bewoners wat ze belangrijk vinden in hun straat, zoals in Katwijk. Dan komen ook de mensen aan het woord die we eerder niet hoorden.”
Zou dat helpen in Rotterdam, waar veel mensen boos zijn?
„Vast niet bij iedereen. Het zou wel helpen als niet alleen de boze automobilist die met zijn armen over elkaar naast zijn auto staat te foeteren, een podium krijgt. Het helpt als er ook aandacht is voor de buurvrouw die geen astmamedicijnen meer nodig heeft. En voor de kinderen die gelukkiger zijn omdat ze veilig buiten kunnen spelen en weer zelfstandig naar school kunnen. En voor een hele straat die groener, koeler en prettiger is om te vertoeven.”