Op haar sterfbed gaf Lieke Marsman nog één laatste waarschuwing: het gaat goed mis als we niet opstaan

In De dichter en de duivel dicht Lieke Marsman over de ‘ongeneeslijk zieke wereld’, publiekelijk ziek zijn, sociale media, Dick Schoof en Gerrit Zalm. Haar laatste bundel biedt een waardig afscheid van een prachtig, boeiend dichterschap.
Het verlangen naar het nooit geschreven werk van de vorige week overleden Lieke Marsman (1990-2026) is frustrerend. Dat neemt niet weg dat wat ze achterlaat al een volwaardig oeuvre is. Direct al bij haar debuut, op piepjonge leeftijd (19), zag je dat ze een dichter van formaat zou worden. Je zag dat ze dat eigenlijk meteen al was, en de zestien jaar die ze als dichter vervolgens in de schijnwerpers trad, laten een prachtig en boeiend dichterschap zien. Haar jongste bundel biedt een waardig afscheid.

Koele, observerende regels
In haar eerste bundels kon je nog denken met een hypersensitief, introvert en afgrondelijk dichter te maken te hebben. Ze duwde je met haar onzekerheden en twijfels diep in de eigenaardigheden van de menselijke ziel, vooral die van haarzelf, bijvoorbeeld als ze wakker ligt en wel ‘zo open dat ik mezelf van de randen afduw.’
Als in 2017 kraakbeenkanker bij haar ontdekt wordt, moeten de angsten die in het eerste werk nog haast kinderlijk en huiselijk waren, existentieel geworden zijn. Maar ze komt ze onder ogen in regels die juist koel en observerend zijn:
‘kanker is zo alledaags/ je hoort het op woensdagochtend/ je sterft op een dinsdagmiddag/ geen stroboscopen/ geen garderobefiches/ de zon schijnt/ een doodgewoon waterig zonnetje/ boven de A10/ afslag Praxis.’
In al die van zelfmedelijden gespeende realiteitszin zie je ook hoe ze steeds meer hecht aan de wereld die ze langzaamaan dreigt te verlaten, hoe ze zich opwindt over misstanden, hoe ze de maatschappij en de cultuur van nu bekritiseert. In 2021 werd ze twee jaar lang Dichter des Vaderlands, maar ze had wat mij betreft net zo goed Denker des Vaderlands kunnen worden. Haar gedichten werden steeds meer een oerkreet over onze menselijke staat.