Defensie kijkt steevast weg bij racisme, zeggen deze militairen

Met beeldvormingscampagnes en ‘diversiteitstoolboxen’ hoopt Defensie de werkvloer diverser te maken. Maar militairen van kleur die melding maken van racisme, moeten dat vaak met hun carrière bekopen. ‘Hoe heb ik kunnen denken dat ik een Nederlandse militair kon zijn? De Nederlandse militairen zijn de witte militairen.’
Wat is het nieuws
- Twee militairen van kleur meldden racisme van witte collega’s tijdens uitzendingen naar Mali.
- Beiden werden daarna zelf doelwit: één werd jarenlang behandeld alsof hij een buitenlandse tolk was en geen Nederlandse militair, de ander kreeg een disciplinair onderzoek aan zijn broek en werd, in zijn eigen woorden, weggezet als ‘een potentieel terrorist’.
Waarom is dit belangrijk?
- Defensie wil in 2030 doorgroeien naar 100 duizend mensen en werft actief onder mensen met een migratieachtergrond.
- Uit eigen onderzoek van Defensie – door FTM opgevraagd middels een Woo-verzoek – blijkt al vijftien jaar dat de bereidheid om racisme te melden structureel laag is omdat er sancties op staan. FTM wilde weten hoe die sancties er in de praktijk uitzien.
Hoe is dit onderzocht?
- FTM kreeg inzage in de volledige personeelsdossiers van twee militairen die beiden racisme ervoeren tijdens uitzendingen naar Mali en beiden een melding deden.
- FTM sprak met diverse actief dienende militairen met een migratieachtergrond en vergeleek hun praktijkervaringen met beleidsbeloften.
Dit verhaal is onderdeel van een lopend onderzoeksdossier.
#
Met 75.000 euro zou hij de ‘rijkste man in zijn dorp in Afrika’ zijn. Een HR-medewerker van Defensie begreep niet waarom Youssouf Bah in 2021 niet gewoon de afkoopsom uit de tolkenregeling aannam. Maar militair Youssouf weigerde dit aanbod. En hij had een goede reden: de tolkenregeling is voor buitenlands civiel personeel. Youssouf was sinds 2008 als militair in dienst en niet van plan zijn recht op militair pensioen en uitkering op te geven.
Als vijftienjarige asielzoeker kwam Youssouf uit Guinea, dat grenst aan Mali, naar Nederland. Na het behalen van zijn mbo-diploma meldde hij zich in 2007 aan bij de Rotterdamse ‘Banenwinkel’ van de Landmacht. Hij ging bij Defensie aan de slag als chauffeur en ‘verbindelaar’ (verbindingsdienst).
Werken als tolk deed hij uit collegialiteit. Om de inlichtingenmissie in Mali te steunen, ‘klikte hij aan als tolk’ bij de commando’s in 2015, 2016 en 2018. Hij ging met de commando’s de woestijn in, onderhandelde met terroristen en was getuige van bomaanslagen en hevige gevechten.
De commando’s waren blij met hem. Ze hadden al eerder met hem gewerkt in Burkina Faso. Als ze twee flessen whisky kochten, was er eentje voor hem. Youssouf was niet alleen tolk, maar door zijn Frans-Guinese achtergrond ook cultureel adviseur. Youssouf: ‘Ik ging zelfs chillen en thee drinken met de Malinese tolken om ze stiekem te ondervragen voor de commando’s. Kijken of ze toch niet in het geheim samenwerkten met terroristen.’ Er was wederzijds vertrouwen, ze namen hem overal mee naartoe: ‘De commando’s accepteerden mij.’
‘Iedereen werd opgehaald van het vliegveld behalve ik’
Op het kamp zelf was ook een inlichtingentak waarin militairen uit alle krijgsmachtonderdelen zaten, een zogeheten ‘paarse’ eenheid. Daar ging het er anders aan toe. De eenheid (JISTARC) gaf in de Defensiekrant hoog op over de eigen ‘inlichtingenproducten’. Ze hamerden op het belang van ‘menselijke bronnen’ waarmee ze via tolken contact kregen. Maar de militaire tolken die het verzamelen van informatie mogelijk maakten, wachtte een kille ontvangst. Bij aankomst merkte Youssouf dat hij overal buiten viel: ‘Alle soldaten werden al op het vliegveld bevorderd tot korporaal, behalve ik. Ieders naam stond op een lijst in het kantoor, behalve die van mij.’
De Nederlands-Marokkaanse militair Zaahir, die meeging als tolk Arabisch, kreeg dezelfde behandeling: ‘Iedereen werd opgehaald van het vliegveld behalve ik. Het was mijn eerste keer op missie en ik moest zelf maar uitzoeken hoe ik op het kamp kwam.’
Youssouf zag ook hoe zijn collega-tolk te maken kreeg met pesterijen: hij moest auto’s wassen en kantoren vegen terwijl collega’s hem uitlachten. Hij at alleen. Een deel van zijn rangtitel werd steevast weggepoetst op het whiteboard dat op kantoor hing.
Niet veilig
De twee kwamen er tijdens hun missies achter hoe hun directe collega’s denken over Afrikanen en moslims. Mensen van kleur werden door de commandant steevast ‘novembertjes’ genoemd, omdat ‘je neger niet meer mag zeggen’. Arabieren werden aangeduid als ‘zandnegers’ of ‘woestijnratten’. Als er een presentatrice van kleur op tv was, riepen militairen ‘kankerneger’ en ‘oprotten naar je eigen land’. Tijdens een wekelijkse teambespreking, de zogeheten ‘Keek op de Week’, werd een cartoon van een Afrikaanse man met een groot geslachtsdeel getoond waarnaast een foto van een – in de groep aanwezige – vrouwelijke luitenant was geplakt.
Deze houding namen de militairen mee buiten de poort: er werd gespuugd in de waterput en wanneer er een Malinees voorbij reed op een tractor, werd lachend naar hem gewezen: ‘Kijk! Een neger op een tractor!’
